Bolkestein effende pad voor de PVV

Ik vind het wel begrijpelijk dat oud-politicus Frits Bolkestein het opneemt voor zijn geradicaliseerde leerling en bewonderaar Wilders – terecht spreekt hij er schande van dat die man nooit zonder beveiliging de straat op kan – maar onbegrijpelijk is dat hij het nooit kan opbrengen de hand in eigen boezem te steken.

Tijdens een vorige week door het Nexus-instituut georganiseerd debat moesten zijn generatiegenoten Lubbers, Kok en Van Mierlo het ontgelden. „Als we in de jaren 90 strenger waren geweest, hadden we de problemen van nu niet gehad. Dan was Wilders er waarschijnlijk niet eens geweest. Maar Lubbers, Kok, Van Mierlo hebben zich te veel laten leiden door het idee van de Goede Vreemdeling”, orakelde hij.

Nooit, maar dan ook nooit heb ik Lubbers, Kok of Van Mierlo gehoord over de Goede Vreemdeling. De enige die altijd maar weer met deze mythe op de proppen komt, is Bolkestein zelf. Hij fulmineert al twintig jaar tegen de multiculturele samenleving, zonder deze ooit duidelijk te definiëren. Zijn omschrijving van het multiculturalisme beperkte zich altijd tot het eentonige verwijt: „De immigrant was de Goede Vreemdeling.” Wie is dat dan? Behalve Sinterklaas kan ik niemand anders bedenken dan de Barmhartige Samaritaan. Een schrikbeeld?

Bolkestein verwijt zijn collega’s van weleer hun barmhartigheid. Hoe verklaart hij dan dat de problemen van de multiculturele samenleving, waar hij op doelt, zich in heel Europa voordoen?

Als ik me vriendelijk uitdruk, dan is het een kwestie van spraakverwarring over de vraag: wat is een multiculturele samenleving? Voor Bolkestein is dit nooit een descriptief begrip geweest, maar altijd uitsluitend een normatief begrip. Sociale problemen – veiligheid, taalachterstand, ontworteling, et cetera – werden in een handomdraai tot onderwerp van een Kulturkampf verklaard. Te beginnen in 1990 spreekt de VVD’er over immigratie en integratie in termen van superioriteit en inferioriteit: de vreemdeling is inferieur.

Vandaar de gênante heldenverering uit de hoek van PVV’er Martin Bosma. Deze noemt hem „een van de zeldzame zwaargewichten van de naoorlogse Nederlandse politiek” en wel hierom: „Op 28 december 1990 spreekt hij in de Beurs van Berlage in Amsterdam op een bijeenkomst van de Vereniging voor Onderwijs Kunsten en Wetenschappen. Hij noemt daar ‘de islamitische cultuur niet gelijkwaardig en inferieur’.”

Ja, en sindsdien wordt het integratiedebat vergiftigd door strijdkreten over ‘islamofascisme’ enerzijds en ‘islamofobie’ anderzijds. Dit gebruik van generaliserende krachttermen speelt zowel de jihadisten als de xenofobe thuiskweek in de kaart. Het zijn leugens. Slechts weinig Nederlandse moslims zijn vatbaar voor het jihadisme van Al-Qaeda of het Saoedische salafisme. Toch worden zij met ‘islamofascisme’ gebrandmerkt. En aan de andere kant: als ik opkom tegen tribale achterlijkheid, vrouwenonderdrukking en homohaat ben ik géén islamofoob, al juich ik islamkritiek van harte toe.

Jihadisten en vreemdelingenhaters zijn elkaars bondgenoten. Zij beweren eendrachtig dat de islam in het Westen een Fremdkörper is en moet blijven.

Bolkestein ziet niet in dat het de superioriteitswaan is die een zware hypotheek heeft gelegd op het geestelijke klimaat. Hij mist het vermogen tot zelfkritiek. Het kan niet worden ontkend dat hij met zijn ‘normatieve’ kritiek op de multiculturele samenleving een incognito heeft verschaft aan de verderfelijke fascistische geest die in het troebele water vist van een, ook racistisch getinte, angst voor de vreemdeling.

Waar Bolkestein zich tegen heeft verzet – en wat hij uiteraard bedoelt met ‘de mythe van de Goede Vreemdeling’ – is integratie met behoud van identiteit. Maar hij heeft nooit aangetoond dat dit idee strijdig is met fundamentele waarden als de vrijheid van godsdienst en meningsuiting, de scheiding van kerk en staat en de gelijkheid van man en vrouw. Integendeel: zijn agitatie tegen het recht op een identiteit heeft geleid tot ondergraving van de gedachte dat mensenrechten universeel zijn en niet groepsgebonden.

De democratie is er niet om een culturele of religieuze machtsstrijd uit te vechten, maar om te leren leven met een gebrek aan harmonie: een mogelijkheid om elkaar in een gemeenschappelijke wereld te ontmoeten of zelfs tot overeenstemming te komen. Dit is waar Lubbers, Kok en Van Mierlo voor stonden.

Vorige week hield Bolkestein een rede over de multiculturele samenleving tijdens de Nederlands-Duitse Conferentie in Den Haag. Opnieuw het verhaal over ‘de Goede Vreemdeling’. Plotseling had hij niettemin een nieuwe definitie van multiculti: de toekenning van collectieve rechten aan minderheden op cultureel gebied. Terecht wees hij dat van de hand: „Collectieve rechten versterken de neiging tot etnische getto’s en dat is wat de islamisten óók willen”. Niet doen! Maar dan ook geen collectieve beschuldigingen en juist wél bescherming van minderheden, zou ik denken.

Overigens wist Bolkestein maar één voorbeeld te noemen van hier bestaande collectieve rechten van minderheden: artikel 23 van de Grondwet, over het bijzonder onderwijs. Gaat zijn partij nu, samen met de PVV, dat artikel afschaffen? Nee, want dan zou het CDA niet langer willen collaboreren.