Column

Youp: het begon voor mij allemaal met Toon

Nu er een biografie is verschenen van Toon Hermans, wandelt Youp van ’t Hek door zijn herinneringen aan de uitvinder van de onemanshow: van het eerste verbaasde kijken als kleine jongen tot het professionele contact later en de blijvende waardering nu. Een eerbetoon.

$$$ $$ $$$

Deze weken speel ik in Carré, de theatertempel aan de Amsterdamse Amstel. Carré heeft een zogenaamde sterrenkleedkamer, die beduidend chiquer is dan de andere verkleedhokken in dat gebouw. Warm theaterrood, mooie spiegels, goede stoelen, een marmeren douche en een televisie zo groot als een bioscoopdoek. Daarbij ook nog een goed gevulde minibar. Op de gang is in het parket voor de deur van deze kleedkamer een ster ingelegd. En elke avond als ik deze kleedkamer binnenstap realiseer ik me dat die ster er niet voor mij ligt, maar voor Toon. Toon was een ster. En zeker voor Carré.

Mijn theatercarrière is ooit in Carré begonnen. 47 jaar geleden. Gewoon op rij 12. Ik heb het over 1963. Als parmantig negenjarig ‘menneke’ mocht ik met mijn ouders mee. Gehesen in mijn zondagse plunje was ik meer dan gespannen. Vrolijk nerveus. Het stukje van de auto naar het theater, het wandelen langs de Amstel, het afscheuren van de oh zo kostbare tickets, de jas in de garderobe, een mooi programmaboek voor de voorpret, het zoeken van de stoel, het gegons van de mensen die er zin in hadden, het doven van het zaallicht terwijl het orkestje alvast aanstekelijk begon te toeteren, het voordoek dat vrolijk openzwaaide en dan de opkomst van de meester. Toon. In zijn hand een grote tros ballonnen. Rode ballonnen. Een klaterend applaus. Hij was welkom. Meer dan welkom. Net als wij dat waren. Toon had er zin in. Je zag het aan alles. En toen begon het.

Ik luisterde met grote ogen en open mond. En ik was verbaasd, prettig verbijsterd. Dat iemand zoveel plezier kon maken, zoveel lol kon trappen. Tot boven in het schellinkje werd er gegierd en gebulderd. Magische avond. Vooral omdat hij ogenschijnlijk niks deed. Ouwehoeren. Dat deed hij. Hij vroeg hoe het met ons ging. Hij vertelde over zijn tante. De stoel van zijn tante. En de zaal kende die stoel. Net als die tante. Ik weet dat ik toen niet dacht: ik ga ook zoiets doen. Ik dacht het niet, ik wist het zeker. Dit was toch het leukste wat er bestond. Keten met een zaal, lachen om de stomste dingen. Na afloop terug in de auto was dat het eerste wat ik tegen mijn ouders zei: „Ik word later Toon Hermans”, waarop mijn vader nuchter schamperde: „Je eerste grap heb je al gemaakt!”

Ik was opgewonden na die eerste keer, koortsig, droomde mijzelf in Carré, zoals andere jongens in gedachten scoorden in uitverkochte voetbalstadions. En ik ben me gaan verdiepen in Toon. Dat ging vanzelf. Zijn platen draaide ik grijs, de groeven werden loopgraven van de slijtage. Ik luisterde naar zijn wonderlijke woorden, zijn timing, de sfeer die hij bij zich had, zijn levensfilosofie, zijn eenvoud. Al gauw raakte ik door interviews en zo op de hoogte van zijn jeugd in Sittard, zijn heilige moeten, zijn idool Johan Buziau, zijn Amsterdamse revuejaren en zijn eerste onemanshows. Ik zag zijn magie, het zogenaamde gemak waarmee hij het grote Carré om zijn vinger wond, omtoverde tot een gezellig kroegje waar iedereen, maar dan ook iedereen het leuk had. Hij deed het met niets. Met lege handen. Later begreep ik dat elke seconde vast lag, hij was een perfectionist pur sang, een man die speelde dat hij speelde, die deed alsof alles toevallig die avond uit zijn mouw viel. Dat is wat ik achteraf zo mateloos in hem bewonder: zijn spel, zijn humor, zijn plezier, zijn lol.

„Gespeelde lol”, fluisteren zijn tegenstanders.

„Nou en?” denk ik nog altijd hardop. Gespeeld of niet. Het was goed.”

Toen ik later begon met optreden, was ik minder geïnspireerd door Toon. Voelde me meer aangetrokken tot groepen als Kabaret Ivo de Wijs en Don Quishocking. En Bram en Freek waren begonnen. Dat was in deze branche niet onopgemerkt voorbijgegaan. Voor mij moest theater meer prikkelen dan Toon toen deed. In de kroegdiscussies viel hij toen meer onder amusement en dat laatste vonden wij een intens vies woord. Nu vind ik het geestig dat juist Jacques Klöters, een van de vooraanstaande leden van Don Quishocking, de biografie van Toon heeft geschreven. Ik heb het boek nog niet gelezen omdat ik op dit moment druk ben met het systematisch slopen van de Nederlandse en Belgische helpdeskterreur van telecomboeren, maar het brandt op de stapel.

Mijn carrière verliep in het begin op zijn zachtst gezegd rustig, ik stond avonden met meer mensen op het toneel dan er in de zaal zaten (we waren met zijn drieën), maar een gietijzeren geloof in mezelf hield me op de been. In 1986 besloot ik solo te gaan. In 1989 speelde ik mijn eerste oudejaarsconference. Hierna maakte ik nog een paar programma’s die allemaal avondvullend op televisie werden uitgezonden. Na een van die programma’s belde hij me. Mijn dochter nam op en zei: „Toon Hermans voor jou!” Ik dacht dat een van mijn vrienden me in de maling nam. Maar het was ontegenzeggelijk Toon. Hij had de avond ervoor gekeken en zei dat hij het leuk vond. Maar ik moest nog wel wat leren! Dat de televisie maar een klein kastje was en dat je op dat schermpje niet als een gek moet bewegen. Daar worden de mensen moe van en dan zetten ze het kastje uit. Ik was zo blij verrast dat de grote Toon Hermans de tijd nam om mij ongevraagd te adviseren. En het waren zulke wijze woorden. Want het was zo. Die dikke kop van me raasde als een idioot over het scherm. Ondoenlijk voor gewone mensen. Het werd best een lang gesprek. Ik merkte dat we elkaar wel mochten.

Een paar jaar later belde de Amsterdamse krant Het Parool of ze mij, voordat ik een nieuwe serie van zes weken in Carré ging spelen, mochten interviewen. Ik stelde voor dat ik Toon Hermans zou interviewen. Hij was tenslotte de uitvinder van de Nederlandse onemanshow, hij was de keizer van Carré die regelmatig drie maanden achter elkaar daar stond. Het Parool vond het een goed idee en Toon vond het ook leuk. Prachtmiddag werd het. Toon, inmiddels gestopt, zat op zijn praatstoel. Maar hij vroeg ook veel. Over hoe ik dingen deed. Hij was oud, maar niet minder nieuwsgierig. Het werd een gretige middag. Nooit, maar echt nooit heb ik zo duidelijk over de praktijk van mijn vak kunnen praten. Het gevoel, maar ook de bijna wetenschappelijke kant, plus de lol die je erin moet en absoluut kunt houden. Hij vertelde hoe bepaalde beroemde nummers bij hem per toeval waren ontstaan, hoe hij maanden sleep aan een grap. Polijsten en schuren tot hij perfect was. Dat de lach een lawine werd. Een bulder die Carré een beetje liet trillen. Een heerlijk gevoel dat ik inmiddels ken.

Ik denk daar de laatste weken vaak aan. Aan Toon. De techniek van Toon. Hoe haal je het uiterste uit Carré? Hoe geef je mensen het allermeest? Die lach, de lol, het plezier. Het leuk hebben met die grote zaal! Elke avond in de stille, luxe kleedkamer denk ik wel een keer aan Toon. Al is het maar dat hij ook in deze spiegel heeft gekeken. Dat hij zich ook gezond zenuwachtig heeft zitten concentreren op de tweeënhalf uur tekst die je nou eenmaal op zo’n avond mag uitspreken. En ik denk altijd even aan mijn ouders, die mij ooit meenamen naar Carré en die bij Toon zulke onvergetelijke avonden hebben gehad. Altijd keerden ze als ze naar Toon waren geweest verliefd terug uit Amsterdam, weken werd hij geciteerd en mijn moeder vatte het altijd prachtig samen: „Wij waren niet bij Toon op bezoek, maar je had het gevoel dat hij bij jou langs kwam.” Ik probeer nu ook avond aan avond om met de zaal een complot te smeden, de deuren zijn dicht en de boze wereld is buiten. Binnen is het veilig en hebben we elkaar. Daarin ben ik zeker schatplichtig aan Toon.

Toen er ooit een nieuwe verzamel-cd van Toon werd gepresenteerd, fietste ik door de stad. Ik was dat feestje eerlijk gezegd vergeten. Maar ik kwam toevallig langs het Nederlands Theaterinstituut waar de presentatie plaatsvond. Ik was in het rijke gezelschap van mijn zoontje en zei tegen hem: „Hierbinnen is de meneer die ervoor gezorgd heeft dat papa op het toneel staat. We gaan hem even gedag zeggen.” Het zei mijn zoontje niks, maar hij ging mee. Later had hij het steeds over Toon. De man had hem, zonder dat hij het uit kon leggen, iets gedaan. Hij had meteen door dat Toon een soort van clown was, ook al had Toon die middag geen grap gemaakt. Toen ik Toon interviewde voor Het Parool lag op zijn tafel een bundel van een mij onbekende schrijfster. Hij vertelde er over. Szymborska heette de dichteres. Moest ik lezen. De volgende dag bestelde ik een bundel en sinds die tijd ben ik verslaafd. Iedere dag neem ik minstens een Szymborska tot me. De niet uit te leggen schoonheid van haar gedichten is zo verpletterend, brengt me op zoveel ideeën. Als ik er ’s avonds in lees, kan ik kijken naar een van de twee schilderijtjes van Toon die aan mijn muur hangen. Moest ik kopen toen ze geveild werden. Ik moest en zou iets van Toon aan mijn muur. Zowel in mijn kamer als in de binnenkant van mijn hoofd. Vooral daar, in dat bijna altijd kokende hoofd van mij, hangt heel veel Toon. Vrolijke Toon. Ik maak een diepe buiging voor hem.

Jacques Klöters, Toon. De biografie, Nijgh & Van Ditmar, 534 blz., 27,50 euro