Wollen sokken vs. stropdassen

Kernenergie is een strijd tussen ‘links’ en ‘rechts’.

Zo lijkt het tenminste. Wie beter kijkt, weet beter.

Het is een van de meest gebruikte frames in het huidige politieke debat: links versus rechts. Of het nu gaat om klimaatverandering, integratieproblemen of de hypotheekrenteaftrek, steeds weer valt het debat uiteen in twee kampen.

Aan de ene kant bevindt zich het linkse kamp, dat naar eigen zeggen staat voor optimistisch vooruitgangsdenken, gestoeld op dialoog, overheidsregulering en een eerlijke verdeling van sociale lasten. Tegenstanders zien in links eerder een naïef soort idealisme van slappe theedrinkers, die de overheid voordoen als gelukmachine en burgers degraderen tot subsidieslaven.

Zij, het rechtse kamp, zijn van het nuchtere realisme: van lik-op-stukbeleid, eigen verantwoordelijkheid en vrijemarktwerking. Tegenstanders zien daarin dan weer een hardvochtig soort conservatisme van kille saneerders, die de overheid beschouwen als politiestaat en burgers degraderen tot egoïstische consumenten. Of, samengevat: links leeft in een droom, rechts in een nachtmerrie.

Datzelfde dreigt nu te gebeuren met het kernenergiedebat.

Ben je tegen kerncentrales? Dan zal je wel zo’n naïeve, geitenwollen sokken Greenpeaceactivist zijn, die fantaseert over een wereld vol zonnepanelen en windmolens, gefinancierd door een onuitputtelijke bron van belastinggeld. Ben je vóór kerncentrales? Dan ben je vast zo’n amorele, machtsgeile stropdasdrager, die liever een hogere winstuitkering heeft dan een schoon milieu.

Nu zullen ze zeker bestaan, die linkse naïevelingen en rechtse geldwolven – maar voor de rest is het een nodeloze simplificatie van een uiterst complex debat.

Wie beter naar de discussie over kernenergie kijkt, ziet dat het klassieke links-rechts paradigma namelijk niet van toepassing is. Integendeel, beide kampen verlaten in dit debat meer dan eens hun eigen politieke filosofie. Zo beroept ‘rechts’ zich normaal gesproken altijd op het realisme uit de traditie van de Britse denker Thomas Hobbes, dat voorschrijft dat de mens van nature gedreven wordt door rationeel eigenbelang. Vanwege dat uitgangspunt vindt rechts dat de staat, waar het fout gaat, zo hard en repressief mogelijk moet optreden (zero tolerance) en, waar het goed gaat, zich zo veel mogelijk moet terugtrekken (vrije markt).

Beide uitgangspunten vloeien voort uit het hobbesiaanse mensbeeld: alleen de vrije markt prikkelt om te presteren (subsidies of hogere belastingen niet); en alleen hoge straffen bestrijden crimineel gedrag (heropvoeden of reïntegratie niet).

Maar in het debat over kernenergie zijn de rollen omgedraaid: hier is het ‘links’ dat, als heuse hobbesianen, wijst op het onvermijdelijke gevaar van kerncentrales als potentiële doelwitten van terroristen, terwijl ‘rechts’ dat gevaar nu juist wegwuift (‘moderne kerncentrales zijn zeer veilig’). Bovendien is het ‘links’ dat waarschuwt voor het gevaar van nucleaire technologie in handen van ‘foute regimes’ – een argument dat doorgaans juist ter rechterzijde wordt opgevoerd, bijvoorbeeld in het debat over Iraanse studenten aan Nederlandse technische universiteiten.

Tegelijkertijd verlaat rechts juist zijn wens voor zo min mogelijk overheidsbemoeienis in het economische verkeer: een kerncentrale is immers, van alle alternatieve energiebronnen, de meest overheidsgereguleerde optie op korte en lange termijn. Ze vereist opstartinvesteringen waar alleen overheden garant voor kunnen staan en vraagt daarna om zeer omvangrijke veiligheidsmaatregelen, die alleen overheden kunnen bieden. Vandaar dat er wel talloze particuliere initiatieven zijn op het gebied van zonne- of windenergie (vrijemarktwerking), maar geen enkele op het gebied van kernenergie: geen bedrijf, universiteit of ondernemer die dat risico kan dragen. Je zou, ideologisch gezien, dus eerder kernenergie uit linkse hoek verwachten: daar gelooft men in overheidsgestuurde in plaats van marktgestuurde verandering.

Dat de kernenergiediscussie niettemin in het klassieke links-rechts-frame wordt geperst, geeft aan dat we in gepolitiseerde tijden leven. Daar hoort een simpele onderverdeling in ‘vrienden’ en ‘vijanden’ bij. Maar zoiets belangrijks als onze toekomstige energievoorziening verdient beter. Het energievraagstuk is te complex om te vervallen in wij-zij-denken. Het gaat er niet om of je wollen sokken of een stropdas draagt – het gaat om de filosofie erachter. Dáár zou het debat over moeten gaan.

    • Rob Wijnberg