Wie veel weet, kan bijna niets opschrijven

Joris Luyendijk liep met „3d-bril” over het Binnenhof. Politiek redacteuren Pieter van Os en Derk Stokmans proberen lessen te trekken uit zijn observaties.

Den Haag : 2 juli 2009 Jaarlijkse Nieuwspoort BBQ. Wie zijn al die mensen naast Huub Oudshoorn? © foto's Roel Rozenburg

Het nieuws was hem vooruit gesneld: Joris Luyendijk was in aantocht. De journalist zou in opdracht van perscentrum Nieuwspoort ‘het politiek-publicitair complex’ tegen het licht houden: dat amalgaam van politici, journalisten, voorlichters, ambtenaren en lobbyisten dat de gebeurtenissen in politiek Den Haag bepaalt.

Laten we het maar eerlijk zeggen: de aankondiging zorgde voor een lichte siddering bij de politieke redactie van deze krant. In zijn boek Het zijn net mensen (2006) over journalistiek in het Midden-Oosten had de oud-correspondent Luyendijk immers een voor buitenlandredacties van dagbladen en tv-programma’s hoogst ongemakkelijk beeld geschetst van hun werkwijze. Waren wij parlementaire journalisten nu aan de beurt voor een pijnlijke kijk in de spiegel?

Met onderdrukte opwinding en angst lazen we het manuscript. Dat bleek geen straf: Luyendijk schrijft vlot, bovendien is het altijd interessant over je eigen werkplek te lezen. En, oh grote opluchting, Luyendijk heeft geen J’accuse van de politieke verslaggeving geschreven. Hij beperkte zich tot een inleiding op de Haagse binnenwereld. Met als een van zijn belangrijkste conclusies: „Outsiders kunnen in Den Haag alles opschrijven, maar weten bijna niks. Insiders weten heel veel, maar kunnen bijna niks meer opschrijven.” Helemaal waar. En die tweede zin beschrijft de grote dagelijkse worsteling om dat „bijna niks” te veranderen in „juist genoeg” om de werkingen van de macht inzichtelijk te maken, zonder dat we daarmee ons laatste verhaal schrijven, omdat alle deuren vervolgens gesloten blijven. En dat gebeurt.

Maar na die opluchting volgde teleurstelling. Want als het boek scherpe analyses of verrassende inzichten bevat, zijn ze ons ontgaan. En dat is jammer, een nieuwkomer kan dingen zien waar wij inmiddels blind voor zijn. En niemand lijkt geholpen met een van de belangrijkste ontdekkingen van Luyendijk: dat al die mensen die rond het Binnenhof rondlopen net mensen zijn. Tot Luyendijks verbazing – en lezen wij soms ook lichte verontwaardiging? - drinken ze alcohol, hebben ze wel eens seks (ook met elkaar), en vertellen ze wel eens leugens.

En dan die vier andere „grote ontdekkingen”: de verstrengeling van de beroepsgroepen, de ondoorzichtigheid van de Haagse politieke cultuur, de minimale ondersteuning van Kamerleden en ‘de praktijken’ van voorlichters om het nieuws een bepaalde kant uit te duwen. Voor de krantenlezer met politieke interesse kunnen dit geen geheimen zijn. Sterker, de eerste twee zijn al decennia dé stereotypen over de politiek.

Tegelijk moet gezegd dat Luyendijk naast de verbazing over deze weinig verbazingwekkende ontdekkingen, interessante observaties optekent over groepen die in Den Haag doorgaans (te) weinig aandacht krijgen, als lobbyisten en ambtenaren. En hij heeft gelijk dat wij vaker en beter moeten schrijven over de rol van andere media in het politieke spel.

Dus een lezenswaardig boek zonder interessante nieuwe inzichten? Nee, dat oordeel is te gemakzuchtig, omdat het voorbij gaat aan een belangrijk bezwaar dat te maken is tegen de manier waarop scribenten als Luyendijk naar „die kaasstolp” kijken. Die blik - „3d” of niet - lijdt aan wat in psycho-analytische literatuur wel ‘projectie’ heet. Om het simpeler te zeggen: zoals de waard is vertrouwt hij zijn gasten. Luyendijk, zo schrijft hij in de inleiding, heeft zichzelf tot doel gesteld vooral de vraag te stellen: „Hoe kom je in zo’n wereld omhoog?”

Dat uitgangspunt beperkt bij voorbaat de uitkomst omdat het uitsluit dat hoofdrolspelers hun handelen laten leiden door andere overwegingen dan zelfpromotie, zoals de overtuiging de publieke zaak te dienen, om er maar één te noemen die wij nog al eens tegenkomen. Het maakt hem ook goedgelovig: hij zal de verhalen aannemen van politici en journalisten die achteraf uitleggen dat de werkelijkheid het resultaat is van hun briljante politieke strategie, niet van al die andere factoren die zo bepalend: middelmatigheid, tijdsgebrek, vermoeidheid, gebrekkige communicatie, onwetendheid, toeval. Wie alleen gewiekstheid wil zien, ziet niets anders meer.

Luyendijk lijkt dat allemaal niet te interesseren. Hij ziet vooral een “soap”. En opnieuw slaat de projectie toe, want hij blijkt vervolgens ook voornamelijk geïnteresseerd in de soapelementen van de politiek. De beleidsonderwerpen die speelden in de a-typische periode (want formatieweken) waarin hij rondliep, interesseren hem niet.

Het is tekenend dat hij Rutger Castricum als voorbeeld van nieuwe Haagse journalistiek aanwijst. Juist deze medewerker van de nieuwe zender PowNed werpt zich vol overgave op de privébesognes en de karaktereigenschappen van de politici. Aan het onthullen van belangenverstrengeling, het volgen van wetgeving of het bieden van inzicht in beweegredenen anders dan machtshonger, doet Castricum niet. Voor hem zijn politici figuranten in een stuk dat over hemzelf gaat. Is dat wat Luyendijk de parlementaire pers aanbeveelt? Dan concluderen wij voorzichtig: die weg moet hij maar zonder ons bewandelen.