Jeugdkar

Al in de eerste ronde knalden twee bolides op elkaar. De Formule 1 in Abu Dhabi werd stilgelegd. Terwijl mannen in overalls de rotzooi wegwerkten, had ik tijd om terug te denken aan mijn eerste ‘moment of speed’.

In zijn vrije tijd maakte mijn vader in de garage een kar. Een oermodel van planken, met een paar assen en vier wielen eronder van een oude kinderwagen.

Met een touw in de hand kon je met de voorwielen sturen. Voor ons huis lag een pleintje met een aflopend voetpad met een bocht naar rechts. Je kreeg een duw in je rug en al snel rammelde je op hoge snelheid naar beneden.

Jeuk in je onderbuik.

Het ging om de slip in de bocht. Remmen kon niet. Ik gaf me over aan de vaart. De bocht. Trekken. Slippen. De sensatie van snelheid. Hele dagen sleten we op ons stratencircuit.

In Abu Dhabi reed de safetycar voor de coureurs uit. Het circuit was weer schoon. Deze race ging de beslissing brengen: wie werd er wereldkampioen in de Formule 1?

Mark Webber raakte na een bocht de vangrail met het rechterachterwiel van zijn bolide. In de herhaling zag je de vonken er vanaf spatten. Een paar ronden verder riep hij over de boardradio: „Mijn achterband gaat eraan!”

Aansteller.

Het barst iedere race van de technische mankementen. De mecaniciens hebben weken de tijd om aan een wagen te sleutelen en altijd fladdert tijdens de race weer een onderdeel door de lucht. Losse vleugels vooral. Bij roofvogels op hoge snelheid hoor je dat nooit.

De commentator van RTL GP stierf van de zenuwen. „Geweldig, die spanning.” Ik merkte er niets van. Het was helm tegen helm. Anonieme snelheidsmaniakken. Hij was met zijn jargon mijlenver verwijderd van mijn jeugdkar die menselijke proporties had. Ik reed met kinderwieltjes over stoeptegels, hij praatte over supersofte banden en asfaltkarakteristiek.

De strijd tussen de kampioenskandidaten bleek vooral rekenwerk met seconden en punten, die onderin het tv-scherm voortdurend wijzigden zoals de koersen op een beursdag. Wat nou rekenen? Ik wilde sportzweet zien op een bekende kop.

155 miljoen mensen keken naar deze race, vermoedelijk vanwege hun eigen verlangen naar snelheid in een auto, op een motor of een fiets. Of in een kar. Ik kon er niets anders van maken.

Het wapperen met de finishvlag onderging ik als een verplicht nummer uit een computerspelletje. Was dit nou de apotheose van een seizoen Formule 1? De racewagen van de winnaar minderde vaart. Hij deed een arm omhoog en reed een ererondje.

Ik hoorde teksten vanuit de pits zoals de winnaar ze live hoorde in zijn helm: „Weltmeister!”

De helm in de racewagen begon heftig te bewegen: „Oh, thank you boys, thank you.”

In de pits vielen mannen met koptelefoons elkaar in de armen. Onhandig geklap op schouders.

Sebastian Vettel was de nieuwe wereldkampioen. Een Duits knaapje van 23 jaar met verward haar en tranen in de ogen. Na een wedstrijd van 305 kilometer kwam er eindelijk een gezicht onder de helm vandaan. Doodmoe maar gelukkig, van het scheuren en slippen.

Ik snapte hem.

Met de kar naar beneden denderen en slippen door de bocht op het Spinbolplein. Dat ging hard. Nog een keer. Harder. En nog een keer.

Totdat vanuit huis klonk: „Jongens, eten!”

Coureurs waren we, maar aardige coureurs.