Je identiteit is alleen van jezelf

Dat er iets aan de hand moest zijn, werd me wel duidelijk toen ik binnen een paar dagen meer Nobelprijswinnaars tegenkwam dan redelijkerwijs te verwachten was.

Het bericht dat computerhackers hadden ingebroken op de website van het Nobelcomité voor de Vrede bracht een dag later opheldering: iemand moest geknoeid hebben met de gegevens waardoor het aantal prijswinnaars wereldwijd was aangewoekerd. Logisch dat die Nobelprijswinnaars, nu er twijfel rees omtrent hun papieren, allemaal begonnen over identiteit.

Schrijver Mario Vargas Llosa gaf bij het Nexus Instituut de aftrap voor een intellectueel debat over nationale en religieuze identiteiten; econoom Amartya Sen sprak elders over de inzichten uit zijn boek Identity and Violence. En het gekke was dat identiteit, ondanks alle wereldpolitieke dreiging die als een schaduw over de gesprekken hing, steeds als een tamelijk onbedreigd begrip werd gezien.

Terwijl op hetzelfde moment de kranten toch bol stonden van het stelen van identiteit en het afhandig maken van biometrische gegevens. Het intellectuele debat over identiteit mocht dan gaan over Geert Wilders en Al-Qaeda als voornaamste gevaren, de echte dreiging kwam intussen van Google en van het Nederlandse paspoort.

Maar haal ik daar niet twee begrippen van identiteit verschrikkelijk door elkaar? Ja. En nee. Die twee begrippen hangen namelijk nauw samen: dat werd toevallig net dezelfde dag mooi uitgelegd in een krantenartikel over de Staatscommissie Grondwet. De commissie wilde geen lofzang op de Nederlandse identiteit in de wet. Want, lichtte de krant toe, identiteit kan in de Grondwet wel worden vastgelegd, „maar er niet door worden gecreëerd”. Dat creëren moet in de maatschappij gebeuren.

Zo heb je dus aan de ene kant een maatschappelijk proces waarin mensen een identiteit aannemen, vormgeven, verfijnen en uitdragen, en aan de andere kant een afgeleid proces waarin die identiteit wordt vastgelegd en gebruikt voor allerlei zeer uiteenlopende doelen. Nou stelde het vastleggen van de individuele identiteit lange tijd niet veel voor: overheid, bedrijven en boeven wisten niet meer van je dan je naam, geboortedatum en adres. Maar door het oprukken van de techniek weten die drie clubs plotseling alles: je heden, verleden en toekomst.

Zo is het vastleggen van identiteit opeens veel tirannieker geworden. Je paspoort zegt niet alleen meer dat je het bent, maar ook wat en wie je bent. Je hoeft maar een paar dagen de krantenkoppen te volgen of je weet welke data de overheid inmiddels vastlegt. ‘Justitie wil makkelijker bij bankgegevens burgers’, ‘Nergens zoveel telecomgegevens opgevraagd als in Nederland’. En anders dan in andere landen wil de Nederlandse overheid de biometrische gegevens uit ons paspoort gaan opslaan in een centrale databank.

Wat heeft dat nu allemaal te maken met het intellectuele debat over identiteit? Dit. Je zou verwachten dat dat debat vooral gaat over het creëren van identiteit en vervolgens ook kritisch kijkt naar het administreren ervan. En inderdaad besteedde de onvolprezen liberaal Amartya Sen op zijn tocht door Nederland volop aandacht aan de vrijheid van mensen om deelidentiteiten aan te nemen en weer af te leggen, de mogelijkheid zelf je identiteit te veranderen door scholing en openbare discussie.

Identiteit is een dynamisch begrip, zegt Sen, dat moet je niet willen bevriezen. Het betekent bijvoorbeeld dat de overheid je niet automatisch moet aanspreken als woordvoerder van je gemeenschap en je zo voor altijd opsluiten in je profiel. En, zou ik daaraan willen toevoegen, het betekent ook dat de overheid ons profiel niet moet bevriezen in databestanden en uitleveren aan kwade krachten.

Tot zover ging het goed met de oproep om je identiteit in eigen hand te houden. Je identiteit is van jezelf, laat anderen er niet mee op de loop gaan. Maar omdat ik aan het Nobelprijswinnaarhoppen was, en omdat ik ook nog een lezing aanhoorde van Vargas Llosa, zakte de stemming weer in. Want Vargas Llosa, sprekend over populisme en nationale identiteit, leek weinig oog te hebben voor onze pogingen ons eigen bestaan vorm te geven.

Tegenover fundamentalisme en populisme – die blijkbaar de beide helften van de wereldbevolking in hun greep houden – wist hij maar één enkel voorbeeld te geven van iemand die bewust over de grenzen van zijn groepsidentiteit was heen gestapt. Het betrof een schildpad, die een nijlpaard had geadopteerd. Laat de mensheid zich het voorbeeld van die schildpad ter harte nemen, zei Vargas Llosa, dan komt het misschien ooit nog goed.

Het was verbijsterend dat vervolgens niemand in het debat opmerkte dat ook mensen onophoudelijk adopteren, stiefkinderen in huis halen, zich tot religies bekeren, hun homoseksualiteit ontdekken, hun baan opgeven om winkelier te worden, van mening en nationaliteit veranderen: een en al continue identiteitsontwikkeling en grensoverschrijding, daar kan geen schildpad aan tippen. Ik weet wel dat het leuk is om met grote woorden als fascisme en fundamentalisme te gooien, dacht ik na een rondje Nobelprijswinnaars, maar oog houden voor de dynamische praktijk van het leven kan ook voor intellectuelen geen kwaad.