Een munt is een sociaal contract

Dit boek verscheen 35 jaar geleden, toen de Britse economie door de eerste oliecrisis stagneerde. Er was geen groei meer, de inflatie was opgelopen tot bijna 25 procent. Adam Fergusson, verslaggever bij de Britse krant The Times, kreeg de opdracht uit te zoeken hoe het met de hyperinflatie in de Weimarrepubliek in de jaren twintig was gelopen. Die was dramatischer dan wat de Britten vijftig jaar later beleefden. Maar misschien viel er een les uit te leren?

Het boek kreeg een goede pers. Fergusson, zelf geen econoom, vond de sociale aspecten van de Duitse hyperinflatie eigenlijk interessanter dan de financiële. Hoe meer hij de periode na 1918 bestudeerde – waarin de door de oorlog gedecimeerde economie, door torenhoge herstelbetalingen en complete blindheid van de politiek-financiële elite in een vrije val belandde – hoe meer hij gefascineerd raakte door de maatschappelijke functie van geld. Een munt fungeert als sociaal contract, ontdekte hij. Zodra burgers hun vertrouwen daarin verliezen, gaat dat contract kapot en is het ieder voor zich en god voor ons allen.

In het boek concentreert Fergusson zich behalve op de prijs van een ei, maand na maand na maand, ook op ooggetuigenverslagen. Het staat vol rapportages van de Britse ambassadeur in Berlijn, en verhalen over prijzen die zo hard over de kop sloegen dat voor een maaltijd die op de menukaart nog een half miljoen kostte, na de koffie al één miljoen moest worden afgerekend. Fergusson realiseerde zich dat iedereen in zo’n periode denkt dat anderen beter weten waar zij hun geld moeten instoppen dan zij. De sociale jaloezie groeit rechtevenredig met het aantal bijgedrukte bankbiljetten.

When Money Dies heeft met onze dagen op het eerste oog weinig te maken: inflatie is nu niet ons grootste probleem. Fergusson (78) – die later politicus werd, een pro-Europese conservatieve Schot – was zelf verbaasd toen hij vorig jaar hoorde dat zijn oude hardcover op eBay van de hand ging voor 1.800 pond (2.120 euro). Toen begon investeerder Warren Buffett erover op tv. Hoewel later bleek dat hij het boek niet eens had gelezen, begreep de uitgever wat hem te doen stond. Zo kwam er na 35 jaar ineens een herdruk.

De nachtmerrie van Weimar is nu bijna eng actueel. De financiële turbulentie is extreem. De vlucht naar veilige investeringen zoals goud is aan de orde van de dag. Ook nu is het verleidelijk voor landen de geldpers aan te zetten als hun schulden de pan uit rijzen. De Amerikanen doen aan quantitative easing – eufemisme voor geld bijdrukken. Ook de Britten en sommige Aziaten laten de persen extra lopen. Het is goed dat mensen weten wat er kan gebeuren als dit niet tijdig stopt.

Maar de belangrijkste reden om dit boek te lezen is deze: het verklaart waarom de Duitsers tot de dag van vandaag panisch zijn voor inflatie. Daarom hebben zij ervoor gezorgd dat het hoofddoel van de Europese Centrale Bank is: de prijzen stabiel te houden. Zij weten wat de gevolgen kunnen zijn, want ze hebben het eerder meegemaakt. Het trauma is een brandmerk in hun psyche, en niet alleen omdat mensen destijds op straat stierven van de honger. „Inflatie heeft Hitler niet aan de macht gebracht”, schrijft Fergusson in de epiloog. „Maar ze baande wel het pad voor Hitler.” Door armoe, vernedering en moreel verval groeide de behoefte aan een sterke leider. In die zin was „inflatie voor Duitsland onbedoeld deel van het proces waarbij de emotionele ketels warm werden gemaakt voor oorlog, zodra het land daar weer machtig genoeg voor was”.