Als je nergens bij hoort

Abchazië is niet meer dan een protectoraat van Moskou.

Maar het is óók een stukje land dat broodnodig is voor de Olympische Winterspelen van 2012 in Sotsji.

Dranda, ABKHAZIA, 2010 - Guards Rusland (25) and Andrey (25) Dranda in Dranda, the only prison of Abkhazia.

De bekendste zoon van Abchazië is Lavrenti Beria (1899-1953), de chef van de geheime politie ten tijde van ‘leider’ Jozef Stalin. Beria, die tussen 1938 en 1953 verantwoordelijk was voor de slavenkampen in de Goelag, laat schrijver Fasil Isander (1929) of hinkstapspringer Viktor Sanejev (1945), die driemaal olympisch goud won, achter zich. Zonder enige twijfel. Maar Beria, die werd geboren in de buurt van hoofdstad Soechoemi, is ook de personificatie van de noodlottige geschiedenis van Abchazië.

Gelegen aan de Zwarte Zee zou het kuststaatje van 8.600 vierkante kilometer (vier keer kleiner dan Nederland) een vreedzaam oord met mandarijnen, wijn en stranden kunnen zijn. Partijchef Nikita Chroesjtsjov, opvolger Stalin, had niet voor niets een buitenhuis in Pitsoenda.

Het mocht niet zo zijn. Tijdens de val van de Sovjet-Unie rond 1990 bleek er in Abchazië een ‘bevroren conflict’ te woeden: tussen Abchazen en Georgiërs, die voordien min of meer normaal hadden samengeleefd. Toen in oktober 1993 Abchazische milities het reguliere Georgische leger tot de aftocht hadden gedwongen, sloegen ruim 200.000 Georgiërs op de vlucht uit Abchazië.

Moskou speelde daarbij een rol op de achtergrond. Door de ondergang van de Sovjet-Unie in 1991 voelde Rusland zich als imperiale mogendheid gecastreerd. Door de onafhankelijkheid van veertien Sovjetrepublieken was het in dat jaar zijn greep kwijtgeraakt op gebieden die vaak al een eeuw of langer aan het Russische Rijk onderworpen waren geweest. Waar mogelijk probeerde Rusland de nieuwe golf van soevereiniteit te doorkruisen. Dat Abchazië die speelbal kon worden, heeft te maken met de geschiedenis. Ooit was het een piepklein keizerrijkje. In de zestiende eeuw gingen de Ottomanen er echter hun invloed doen gelden. Dat verklaart de mengelmoes van christelijke en islamitische volkeren in Abchazië en de rest van de Kaukasus. Met de opkomst begin negentiende eeuw van Rusland als wereldmacht veranderde het machtsevenwicht in de regio wederom. Abchazië werd ingelijfd in het imperium.

In 1936 achtte Stalin, geboren en getogen in Georgië, de tijd rijp het gebied tussen Kaspische en Zwarte Zee op te knippen in de Sovjetrepublieken Armenië, Azerbeidzjan en Georgië. Abchazië werd als ‘autonome’ deelrepubliek gevoegd bij Georgië, waar het sinds de Middeleeuwen staatkundig eigenlijk nooit bij had gehoord. Tot de dag in 2008 dat Georgië onder leiding van president Michael Saakasjvili probeerde om het vergelijkbare Zuid-Ossetië te heroveren, bleef de quasi-soevereine status quo van Abchazië gehandhaafd. De in 1992 geproclameerde onafhankelijkheid kreeg een nieuwe status. Sindsdien is Abchazië een staat. Zij het alleen erkend door Rusland, Nicaragua, Venezuela plus Nauru.

Kortom, Abchazië is niet veel meer dan een protectoraat van Moskou. Maar toevallig wel een stukje land dat broodnodig is voor de organisatie van de Olympische Winterspelen van 2012 in de Russische badplaats Sotsji, waarin premier Poetin zijn ziel en zaligheid heeft gelegd.