Woord- en zinsconstructies liggen vaak kant-en-klaar in het hoofd opgeslagen

Regelmatige en onregelmatige werkwoorden worden precies even snel verwerkt. Taalkundige Wieke Tabak trekt daaruit de verrassende conclusie dat niet alleen de onregelmatige verleden tijden (‘at’, ‘dronk’, ‘deed’) kant-en-klaar in ons hoofd zitten, maar ook de regelmatige, zoals ‘werkte’, ‘leefde’ en ‘maakte’.

En dat is in strijd met de gangbare taalkundige theorieën, schrijft Tabak in haar dissertatie, waarop ze vorige maand promoveerde (Radboud Universiteit).

Het gangbare idee is namelijk dat regelmatige verleden tijden gemaakt worden door eerst de stam van het werkwoord uit het mentaal lexicon (het woordenboek in ons hoofd) op te halen. En daar vervolgens, met behulp van een grammaticale regel, de juiste uitgang (‘-de’ of ‘-te’) achter te plakken. Welke werkwoorden ‘-de’ krijgen en welke ‘-te’ is volkomen voorspelbaar: dat wordt bepaald door de klankeigenschappen van de letter die eraan voorafgaat.

Als het inderdaad zo zou gaan, dan zou de productie van regelmatige verleden tijden meer tijd moeten kosten dan die van onregelmatige verleden tijden. Want iets uit het lexicon ophalen en er daarna een regel op toepassen kost meer tijd dan alleen iets ophalen.

Tabak deed allerlei experimenten. Nederlandstaligen moesten woorden lezen of veranderen, of ze keken naar illustraties en moesten dan vertellen wat ze zagen. In al die gevallen werd heel precies de productie- of verwerkingstijd van de werkwoorden gemeten. Een verschil tussen regelmatige en onregelmatige verleden tijden werd er niet gevonden. Blijkbaar ligt de verleden tijdsvorm van alle werkwoorden gewoon klaar in het mentaal lexicon. Die hoeft alleen maar te worden opgehaald. Het voordeel daarvan is dat het sneller gaat.

Grammaticale regels lijken handig, omdat ze met behulp van een beperkt aantal bouwstenen (stammen, uitgangen) een groot aantal verschillende vormen kunnen maken (alle vervoegingen). Maar het toepassen van zo’n regel kost ook een hoop verwerkingstijd, terwijl er in het geheugen volop ruimte is voor het opslaan van allerlei kant-en-klare elementen. Die ruimte blijkt veel groter te zijn dan taalkundigen vroeger dachten. Uit eerder onderzoek bleek al dat veel voorkomende combinaties van woorden (‘mooie meid’, ‘koffiedrinken’, ‘bruid en bruidegom’) en veel voorkomende zinsformules (‘zou je misschien even kunnen...’) ook kant-en-klaar in ons hoofd bewaard worden. Ook dat blijkt efficiënter te zijn.

Berthold van Maris