Ouders om van te snoepen

Er zijn jonge vissen die het vanaf het begin helemaal zelf mogen uitzoeken. Hun ouders laten ergens eieren achter en kijken er verder niet naar om. Soms komen ze later toevallig een van hun 883 jongen tegen. Dan wensen ze dat jong niet eens succes, of veel plezier in de school. Ze happen het op. Van de andere 882 jongen overleven er misschien een paar.

Nee, dan discusvissen. Deze aquariumvissen hebben minder jongen en zijn heel zorgzaam voor hun broed. Discusvissen komen uit de Amazone, die machtige Zuid-Amerikaanse oerwoudrivier. Zij beschermen hun eieren en later hun jongen. Ze geven die zelfs te eten.

Op de huid van discusvissen zit een speciale slijmlaag. Daar nemen de jongen hapjes van. Als de ene ouder even genoeg heeft van het gekriebel, dan geeft hij de massa jongen over aan de andere ouder.

Het is een mooie taakverdeling. Maar er is een probleem. De vissen moeten er wel voor zorgen dat hun jongen niet eeuwig aan hen blijven hangen. De jongen moeten zelfstandig worden. Maar hoe?

Als de jongen zo’n twee weken oud zijn, beginnen de ouders steeds vaker van hen weg te zwemmen als ze hun te dicht op de huid komen. De jongen moeten dus steeds méér moeite doen om bij te blijven en een hapje te nemen. Op een gegeven moment heeft zo’n jong er genoeg van. Het gaat maar zelf voedsel zoeken, dat is wel zo makkelijk.

Kleine jonkies die het echt nodig hebben, krijgen heus hun maaltje wel. Die blijven achtervolgen. Maar luie uitvreters die oud genoeg zijn, gaan verderop kijken. Zo laat de discusvis zijn jongen uitvliegen, sorry, -zwemmen. Op eigen vinnen.

Frans van der Helm

    • Frans van der Helm