Opvoeding tot onverschilligheid

Psychologische en emotionele verwaarlozing van kinderen kan de mensheid duur komen te staan, zegt antropoloog Sarah Hrdy in haar Tinbergenlezing.

Nikolaas Tinbergen (left) and Konrad Lorenz (right) in 1978 Foto: Max Planck Gesellschaft

Ik heb Niko Tinbergen maar één keer ontmoet. Dat was toen hij in Harvard college gaf tijdens mijn eerste jaar aan de universiteit. Al werd ik vooral indirect door hem beïnvloed, zijn revolutionaire vergelijkende en evolutionaire manier van kijken was vormend voor mijn wereldbeeld. Uit bewondering hebben mijn man en ik ons derde kind, Niko Hrdy, naar hem vernoemd.

Vele jaren na Tinbergens dood heb ik een onderwerp in mijn werk verweven waarmee hij zich later in zijn leven heeft beziggehouden: hoe wij verzuimen aan de psychologische behoeften van kinderen tegemoet te komen en hoe dat de menselijke soort schade kan berokkenen.

Misschien voelde Tinbergen bij zijn aanvaarding van de Nobelprijs in 1973 de behoefte om iets van bijzondere relevantie voor de mensheid te vertellen en koos hij daarom autisme bij kinderen als onderwerp van zijn toespraak. Samen met zijn vrouw Lies Tinbergen schreef hij een boek over autisme, dat kort voor zijn dood verscheen. In dat boek gaf Tinbergen een bijzondere waarschuwing: “Door de sociale context van brede familieverbanden en zelfs het gezin te verbreken, veroorzaken we ernstige kortetermijnschade en dat leidt tot vrouwen en mannen die niet de kans hebben gehad hun potentieel voor ouderlijk gedrag optimaal te ontwikkelen.”

Tinbergen en zijn vrouw waren ervan overtuigd dat de chronische problemen die autistische kinderen hebben bij het aangaan van relaties met andere mensen het gevolg waren van ongevoelig ouderschap, of van een ander trauma dat de primaire hechting van het kind met de moeder had verstoord. Ze zagen het ontwijken van sociale contacten, het ongemak wanneer ze worden aangekeken en andere stereotiepe gedragingen van autistische kinderen als extreme, pathologische uitingen van de manier waarop alle kinderen reageren als hun inwendige motivaties met elkaar botsen. Latere wetenschappelijke ontdekkingen leverden geen ondersteuning voor Tinbergens hypothese over de oorsprong van autisme. Destijds werd zijn interpretatie van autisme algemeen gezien als een onbezonnen, zelfs rampzalige, oprisping aan het eind van een in alle andere opzichten uitzonderlijke carrière.

Tinbergen was zich zeer bewust van de hechtingstheorie. Alle hogere apensoorten hebben een aangeboren behoefte om zich te hechten, omdat de moeder de belangrijkste bron van bescherming vormt. Onderzoekers die zich met deze theorie bezighouden gebruiken al sinds lang de ‘vreemdesituatieprocedure’, waarin moeder en kind kort van elkaar gescheiden worden en vervolgens wordt gekeken hoe het kind bij terugkeer van de moeder reageert.

De meeste kinderen vertonen na een korte scheiding van hun moeder een georganiseerde reactie: dat is er hetzij een van veiligheid, waarbij ze op hun moeder toerennen en zich laten geruststellen, dan wel van onveiligheid, waarbij ze zich aan hun moeder vastklampen zonder daardoor gerustgesteld te worden, of haar zelfs mijden.

In de jaren negentig bemerkte de onderzoekster Mary Main dat sommige kinderen niet zo’n georganiseerde reactie vertoonden. Ze leken verlamd te worden door hun eigen tegenstrijdige emoties van angst en behoefte. Ze deinsden terug, reageerden angstig, bevroren zonder aanwijsbare reden, of leken verdwaasd, alsof ze in een andere wereld verkeerden. Ze waren niet in staat een samenhangende strategie te volgen om de aandacht en zorg die ze nodig hadden op te roepen. Main bestempelde hun toestand als ‘gedesorganiseerde gehechtheid’. Wetenschappers hebben ontdekt dat bij kinderen uit risicogroepen – kinderen die een hoge kans hebben mishandeld of verwaarloosd te zijn – 50 tot 80 procent die verwarring voelt bij hun belangrijkste verzorgers, of zelfs bang voor hen is.

Hoe zit het met Tinbergens grimmige voorspelling dat we, door onze kinderen niet meer in uitgebreid familieverband op te voeden, het risico lopen onze soort langdurige schade toe te brengen? Ik ben stellig van mening dat ook dit idee, ooit als paniekzaaierij afgedaan, steeds meer wordt ondersteund door de dingen die we te weten komen over de omstandigheden waaronder onze voorouders in het Pleistoceen – 1,8 miljoen tot 10.000 jaar geleden – leefden en hun kinderen grootbrachten.

Bij andere mensapen zijn eenmaal gespeende jongen voor hun voeding grotendeels onafhankelijk, maar bij de mens zijn kinderen vanaf hun geboorte tot ze achttien jaar of ouder zijn op anderen aangewezen. Een kind heeft zo’n 10 tot 13 miljoen calorieën meer nodig dan het in een verzamelaarsgemeenschap zelf kan bemachtigen, wat veel meer is dan een voedsel verzamelende moeder kan bieden terwijl ze gelijktijdig zelf goed gevoed blijft. Maar hoewel de mens bij geboorte groter is dan andere mensapen en hij er langer over doet om volwassen te worden, is de gemiddelde duur tussen twee geboorten korter en wordt er doorgaans een nieuwe baby geboren nog voordat het voorgaande kind op eigen benen staat. Hoe is dit mogelijk?

De gangbare verklaring was dat de man, in ruil voor een sekscontract dat hem de zekerheid van het vaderschap verschafte, een deel van de jachtbuit aan zijn partner gaf, die op haar beurt haar kinderen met de voor mensapen zo typerende toewijding grootbracht. De moeders van andere mensaapsoorten staan erom bekend dat ze hun pasgeboren jong nog geen seconde loslaten.

In gemeenschappen van verzamelaars staan moeders met een pasgeboren kind doorgaans zonder problemen toe dat de baby van hand tot hand gaat. Als bij de Afrikaanse !Kung een moeder na de bevalling naar het kamp terugkeert, geeft ze haar pasgeborene aan de grootmoeder, die het hoofdje in vorm masseert. Daarna gaat een baby van hand tot hand – wat bij onze naaste verwanten onder de mensapen onvoorstelbaar is. Bij de Efé, jagers-verzamelaars uit Centraal-Afrika, gaan baby’s direct na de geboorte door de handen van 5 tot 24 ‘allomoeders’ – surrogaatouders, zogezegd. En die kinderen die op eenjarige leeftijd de meeste allomoeders hebben, hebben de grootste kans om met drie jaar nog in leven te zijn. Mannelijke allomoeders zijn doorgaans vaders, oudere broers en neven, terwijl ooms en grootvaders opmerkelijk ondervertegenwoordigd zijn. Vrouwelijke verzorgers zijn hoofdzakelijk zussen, tantes en grootmoeders. Hier zien we de brede familiebanden terug die Tinbergen in gedachten had.

In de prehistorie hielpen deze allo-ouders niet alleen voor de kinderen te zorgen. We weten nu dat ze hen ook van eten moeten hebben voorzien. De afhankelijkheid van een moeder van anderen kan mede verklaren waarom vrouwen die net moeder zijn geworden zo gevoelig zijn voor tekenen van sociale ondersteuning en waarom de moederlijke toewijding bij de mens meer voorwaardelijk is in vergelijking tot andere primaten.

Gedeelde broedzorg, de sociobiologische term voor het gezamenlijk zorgen voor en voeden van de jongen, is diverse keren ontstaan bij insecten en komt voor bij ongeveer 9 procent van de 10.000 vogelsoorten. Hoewel het bij zoogdieren in het algemeen vermoedelijk vrij zeldzaam is – misschien 3 procent van de soorten – komt het bij sociale carnivoren en bij primaten veelvuldig voor.

Onze interesse gaat hier vooral uit naar de psychologische gevolgen die het grootbrengen van kinderen door meerdere verzorgers heeft. Ik ben ervan overtuigd geraakt dat kleine, lang genegeerde verschillen in wie voor de kinderen zorgt en ze te eten geeft, een verklaring bieden voor het ontstaan van de cognitieve en emotionele kenmerken, het inlevingsvermogen en de behulpzaamheid die de mens onderscheiden van zijn naaste verwanten, de mensapen. Ik zou wensen dat de welwillende geest van Tinbergen over mijn schouder zou meekijken, want ik denk dat hij hier ook meer van had willen weten.

Psychologen, sociaal werkers en wetenschappers die de geschiedenis van familiegedrag bestuderen, weten al lange tijd dat leven in een brede familiekring zowel de toewijding van de moeder als de ontwikkeling van het kind beïnvloedt. Zo hangt de aanwezigheid in het huishouden van een grootmoeder van moederszijde samen met een grotere moederlijke gevoeligheid voor de behoeften van het kind. Kinderen in zo’n situatie hebben doorgaans meer zelfvertrouwen en ontwikkelen zich cognitief sneller. Oudere broers of zussen zijn ook goed voor de ontwikkeling van sociale vaardigheden. Daarnaast kan hechting aan meerdere verzorgers leiden tot een groter inlevingsvermogen en het vermogen om verschillende gezichtspunten met elkaar te integreren, zoals Marinus van IJzendoorn hier in Leiden heeft aangetoond.

De behoefte om anderen in de gaten te houden en hun intenties te kennen legt het fundament voor het vermogen om de positie die anderen innemen in te schatten. Wie is in potentie behulpzaam en wie niet? Mogelijk al met drie maanden, en zeker als ze zes maanden oud zijn – lang voordat de taal zich ontwikkelt – evalueren baby’s mensen in hun omgeving in termen van hun gedrag ten opzichte van derden. Daarom beweer ik dat wij, mensapen met een interesse in de mentale en emotionele toestand van soortgenoten, ontstonden als het bijproduct van een vroege en langdurige afhankelijkheid van de zorg en voedselverschaffing door meerdere verzorgers. Maar met deze gaven ontstonden er ook specifieke kwetsbaarheden: moeders die zeer afhankelijk zijn van sociale ondersteuning en kinderen die voortdurend de intenties en gemoedstoestand van hun verzorgers in de gaten houden.

Anders dan onze voorouders leeft de moderne mens tussen vier muren, wordt hij niet meer door roofdieren bedreigd, koopt hij zijn eten in de supermarkt en biedt de overheid hem een vangnet. In het Pleistoceen zullen kinderen zonder toegewijde verzorgers zelden lang genoeg hebben geleefd om de emotionele gevolgen van verwaarlozing een enige rol van betekenis te laten spelen. Maar tegenwoordig overleeft 99 procent van de baby’s, onafhankelijk van de gevoeligheid van de verzorgers voor hun emotionele behoeften. Vandaag de dag kan een moeder haar kind in een wiegje achterlaten, om uren later vast te stellen dat het alle tien vingers en tenen nog heeft maar met psychologische gevolgen waarvoor de ouders misschien minder gevoelig zijn. Tinbergen was zich hiervan zeer bewust. Voor het eerst in de geschiedenis van de mens is de overlevingskans van kinderen losgekoppeld van de ontvankelijkheid van de verzorgers.

Wat zijn hiervan de effecten op de lange termijn? Dat weten we niet. Er is slechts beperkte informatie over de manier waarop sociale impulsen bij de mens in de loop der tijd zijn veranderd. We beschikken alleen over arbitraire maten, gemeten aan specifieke eigenschappen van heel specifieke populaties en over zeer recente tijdspannen. Een voorbeeld is een recente studie van Sara Konrath, die laat zien dat Amerikaanse studenten in de loop van de afgelopen dertig jaar een afnemende empathie en inlevingsvermogen blijken te hebben. Zulke patronen vertellen ons iets over recente trends in een populatie, maar ze vertellen ons niet hoe de zorg voor anderen in de loop van de geschiedenis – laat staan op evolutionaire tijdschaal – is veranderd.

Wel is het de moeite waard hier op te merken dat bij alle hogere primaten – en de mens in het bijzonder – ervaringen en leren een belangrijke rol spelen bij de vorming van het zorggedrag van moeders en allomoeders. Tinbergen stelde dat mensen ‘het zorgen voor kinderen leren door het te doen’. Zorggedrag wordt van moeders en allomoeders op volgende generaties overgedragen, meer als een kunstvorm dan als instinctief gedrag, en ervaringen spelen een essentiële rol bij de ontwikkeling van de neiging om anderen te helpen. Neem bijvoorbeeld empathie, een eigenschap waarvan we zojuist te weten kwamen dat die onder Amerikaanse studenten afneemt. Van psychologen als Carolyn Zahn Wexler weten we dat de ontwikkeling van bezorgdheid om anderen zowel genetische als aangeleerde componenten heeft. Identieke tweelingen, in een experiment geconfronteerd met iemand die doet alsof hij zich bezeerd heeft, reageren significant vaker op dezelfde manier dan twee-eiige tweelingen. Maar genetica is slechts een deel van het verhaal. Om deze eigenschap tot ontwikkeling te laten komen moet het kind ook leren de wereld door de ogen van een ander te bekijken, en dat doet het via de relaties die het in zijn eerste levensjaren heeft. En dat is het zorgelijke deel. Als erfelijke eigenschappen als empathie en inlevingsvermogen alleen onder bepaalde omstandigheden tot ontwikkeling komen – in aanwezigheid van attente verzorgers bijvoorbeeld – dan zal een eigenschap die niet gestimuleerd wordt niet tot uiting komen en dus onzichtbaar blijven voor natuurlijke selectie. Ongeacht hoe bruikbaar eigenschappen zoals het doorgronden van andermans intenties, of gedragingen zoals samenwerken, ook voor onze soort mogen zijn: eigenschappen waarop niet geselecteerd wordt zullen in de loop van de evolutie vervagen.

Tinbergen wist dit en hij begreep ook dat, in tegenstelling tot wat evolutiebiologen in zijn tijd dachten, het ontstaan van een maatpakken dragende Homo sapiens met grote hersenen en cultuuroverdracht niet het einde van het evolutionaire proces betekende. Terugkijkend ben ik bang dat Tinbergens valse start waar het de oorzaak van autisme betreft de aandacht afleidde van een zeer terechte waarschuwing: dat de manier waarop tegenwoordig kinderen worden grootgebracht kan leiden tot een ontsporing van precies die door evolutie gevormde ontwikkelingsprocessen die ons menselijk maken.

Dit is een ingekorte versie van de Tinbergenlezing die Sarah Hrdy gisteren hield in Leiden. Vertaling Mark van Nieuwstadt.