Niet Liu Xiaobo, maar Deng Xiaoping had de Nobelprijs moeten krijgen

An Amnesty International's demonstrator holds a poster of the 2010 Nobel Price Liu Xiaobo during a demonstration to protest against the visit to France by Chinese President Hu Jintao on November 6, 2010 in Carros, close to Nice southern France. Activists and political opponents had criticised President Nicolas Sarkozy for not speaking up in favour of the jailed Chinese dissident Liu Xiaobo, who was awarded the Nobel Peace Prize last month. The poster reads : "Free Liu Xiaobo, prisoner of opinion..."". AFP PHOTO SEBASTIEN NOGIER AFP

Decaan van de Lee Kuan Yew School voor Overheidsbeleid van de Nationale Universiteit van Singapore.

Max Weber heeft ooit gezegd: „Het is niet waar dat uit iets goeds alleen maar iets goeds kan voortkomen, en uit iets slechts alleen maar iets slechts. Vaak is juist het tegenovergestelde het geval. Iedereen die dat zegt, is politiek onvolwassen.” Zijn uitspraken zijn net zozeer van toepassing op goede bedoelingen. En een van die goede bedoelingen, uit de koker van de westerse landen, zou uiteindelijk wel eens meer kwaad dan goed kunnen doen.

In de westerse optiek was de recente toekenning van de Nobelprijs voor de Vrede aan de Chinese dissident Liu Xiaobo ondubbelzinnig goed. Diverse westerse commentatoren hebben gezegd dat de prijs moet worden gegeven aan „individuen die strijden tegen de overweldigende macht van een onderdrukkende staat of een onrechtvaardige sociale orde.” In The New York Times vergeleek de voorzitter van het Noorse Nobel-comité, Thorbjørn Jagland, Liu met Andrei Sacharov, een eerdere winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede, die streed tegen „schendingen van de mensenrechten in de Sovjet-Unie.”

Veel Chinezen geloven echter dat de toekenning van de Vredesprijs aan Liu meer schade zal teweegbrengen dan goed kan doen. Weinig Chinese intellectuelen, in China of daarbuiten, hebben de toekenning publiekelijk of privé toegejuicht. Zij geloven niet dat er een kaarsje voor de vrijheid wordt gebrand. In plaats daarvan kan deze toekenning de gestage vooruitgang naar meer persoonlijke vrijheid in China belemmeren.

De afgelopen dertig jaar heeft de Chinese regering China en de rest van de wereld meer goed dan kwaad gedaan. De Chinese regering heeft meer mensen uit de armoede verlost dan ooit tevoren in de geschiedenis is gelukt. Toen Deng Xiaoping in 1978 zijn beroemde hervormingen lanceerde, leefden meer dan 800 miljoen mensen in absolute armoede. Vandaag de dag zijn dat er minder dan 200 miljoen. Ruim 600 miljoen mensen werden dus uit de absolute armoede getild.

Alleen al voor deze prestatie had Deng de Nobelprijs voor de Vrede moeten krijgen. Maar hij heeft veel meer gedaan. Hij heeft grote politieke risico’s genomen door China open te stellen. Hij heeft buitenlandse investeringen toegelaten en China opengesteld voor westerse invloeden. Hij heeft honderdduizenden jonge Chinezen aan westerse universiteiten laten studeren. Hij heeft dit alles gedaan in de wetenschap dat ze terug zouden kunnen komen met ideeën die het Chinese systeem zouden kunnen ondermijnen. Het is moeilijk enige andere recente leider aan te wijzen die zo moedig is geweest als Deng. Vóór hem mochten de Chinezen hun dorpen niet verlaten, laat staan de grens oversteken. Vandaag de dag gaan jaarlijks 40 miljoen Chinezen in alle vrijheid naar het buitenland. En zij keren ieder jaar weer uit eigen vrije wil naar China terug. China is tegenwoordig minstens duizend maal minder onderdrukkend dan het ooit was.

Dus waarom kwam Deng niet in aanmerking voor de Nobelprijs? Het antwoord is samen te vatten in één woord: Tiananmen (het Plein van de Hemelse Vrede). Tiananmen was een vergissing. Maar het Westen meet met twee maten als het op mensenrechtenschendingen aankomt. Amerika wordt niet veroordeeld, ook al heeft het iedere canon van de mensenrechten geschonden door als eerste moderne westerse samenleving het martelen weer in te voeren. In plaats daarvan ziet het Westen Guantánamo Bay als een vlekje, dat de aandacht niet mag afleiden van al het goeds dat de Amerikaanse samenleving teweeg heeft gebracht. Hetzelfde oordeel zou van toepassing moeten zijn op Deng: Tiananmen was een vlekje, dat de aandacht niet mag afleiden van al het goeds dat Deng heeft verricht.

Net zo belangrijk is dat het Westen begrijpt dat Deng, om al het goeds dat hij met China voor ogen had te kunnen bereiken, wel moest vasthouden aan de sociale en politieke orde, zelfs toen de Chinese samenleving zo dramatisch voor de wereld werd opengesteld. In de westerse politieke verbeelding wordt de opmars naar vooruitgang verwezenlijkt door de Staat gestaag te verzwakken en de individuele vrijheid te vergroten. De Chinese politieke ervaring is dat het verzwakken van de Chinese Staat onvermijdelijk heeft geleid tot chaos en enorm persoonlijk lijden. Er kan geen twijfel over bestaan dat de dertig jaren na de hervormingen van Deng de beste dertig jaren zijn geweest die de Chinezen hebben meegemaakt sinds de Opiumoorlog van 1842.

Eén reden daarvoor is dat de Chinese regering de juiste balans heeft weten te vinden tussen het openstellen van de samenleving en het behoud van de orde – en dát in een land met 1,3 miljard inwoners.

De toekenning van de Nobelprijs aan Liu kan de delicate politieke balans in China verstoren door een ‘kleurenrevolutie’ te ontketenen, waardoor de chaos terugkeert en het land 150 jaar wordt teruggeworpen. Dit kan op zijn beurt leiden tot een overreactie van de Chinese regering en een inperking van de vele individuele vrijheden die het Chinese volk de afgelopen tientallen jaren heeft verworven.

In de loop der tijd zal China een democratie worden, vooral als het ’s werelds omvangrijkste middenklasse weet te ontwikkelen. Maar het land zal waarschijnlijk sneller op dit punt uitkomen als het weet vast te houden aan het huidige evenwicht tussen een snelle economische transformatie en een geleidelijke politieke transformatie. Slechts weinig Chinezen geloven dat het Westen het goed met China voor heeft door te trachten de politieke transformatie te versnellen. De meeste Chinezen geloven dat het Westen erop uit is in China dezelfde chaos te ontketenen als met de directe invoering van de democratie in Rusland teweeg is gebracht. Toen Jagland Liu met Sacharov vergeleek, bevestigde hij de Chinese overtuiging dat het doel van deze prijs de destabilisering van China is. Als het Westen vasthoudt aan zijn weigering om rekening te houden met de fundamentele zorgen van China, zal het met zijn goede bedoelingen meer schade berokkenen dan goed doen.

    • Kishore Mahbubani