Kille visolie-experimenten

Eet gevarieerd en matig, dan krijg je van alles genoeg. Dat was het adagium van de klassieke voedingsleer. Intussen puilt het internet uit van voedingssupplementen die alle ziekten zouden genezen, van depressie tot kanker. Hebben we meer nodig dan gevarieerd eten?

Gevarieerd eten dient ter voorkoming van gebreksziekten zoals scheurbuik en rachitis (‘Engelse ziekte’). Vanaf het eind van de negentiende eeuw werd ontdekt dat die ziektes werden veroorzaakt door tekorten aan vitamines; elke gebreksziekte had zijn eigen vitamine. Verschillende voedingsmiddelen leveren verschillende vitamines: vitamine B12 zit in vlees en melk, vitamine C in sinaasappels en vitamine E in plantaardige olie. Voedsel bleek behalve vitamines nog andere onmisbare stofjes te bevatten, zoals het essentiële vetzuur linolzuur dat huidafwijkingen voorkomt. De mens kon dus niet leven van scheepsbeschuit maar had een variatie aan voedsel nodig.

Daarmee was de klassieke voedingsleer klaar. Maar er diende zich een nieuw studieobject aan: het hartinfarct, dat vanaf 1945 sterk opkwam. Er waren aanwijzingen dat hartinfarcten werden veroorzaakt door een hoog cholesterol en te hoge bloeddruk, en bij gebrek aan goede geneesmiddelen probeerde men het met diëten. Vervanging van dierlijk vet door plantaardige olie bleek inderdaad de kans op een hartinfarct te verlagen. Dat kwam door het essentiële vetzuur linolzuur waar plantaardige olie rijk aan is. Het hartinfarct is echter geen deficiëntieziekte, want de benodigde hoeveelheid linolzuur is 10 tot 100 keer groter dan de hoeveelheid die huidafwijkingen verhindert. Anders dan bij scheurbuik of rachitis worden hartinfarcten ook niet voor 100% voorkomen door de juiste voeding, de kans erop neemt alleen af.

Daarmee was een nieuwe voedingsleer geboren waarin welvaartsziekten werden bestreden met hoge doses voedingsstoffen. Soms werkte dat echt. Vitamine B3 in honderdvoudige overmaat verlaagde het cholesterol en de kans op een hartinfarct. Nog spectaculairder was het effect van vitamine B11 oftewel foliumzuur. Als een vrouw in de periode rond de bevruchting dagelijks een tabletje met 400 microgram foliumzuur slikte werd de kans op een baby met een open ruggetje gehalveerd. Die hoeveelheid haal je niet met sinaasappels; gevarieerd eten is dus niet genoeg.

Zo werd de wereld rijp voor voedingssupplementen. Nadat de Amerikaanse senaat in 1994 de controle op de veiligheid en werkzaamheid van supplementen had afgeschaft kwam er een stortvloed los aan geneeskrachtige voedingspreparaten. Het grootste deel was onzin maar een deel van die preparaten was gebaseerd op serieuze wetenschappelijke hypothesen. Sommige, zoals de antioxidanten, hebben de toets van het experiment uiteindelijk niet doorstaan, andere waren echt een succes, en van sommige weten we nog steeds niet of ze werken.

Een voorbeeld van dat laatste is visolie. Aan visolie zijn vele gunstige effecten toegeschreven, onder andere op de hersenen. Visolie is rijk aan omega-3 vetzuren en die komen typisch voor in de hersenen. Omdat het lichaam deze vetzuren niet zelf kan maken moeten ze uit de voeding zijn gekomen. Vandaar dat ze worden toegevoegd aan flesvoeding voor baby’s, want hun hersentjes moeten nog groeien. Dat lijkt logisch, maar ondanks veel onderzoek is het nog steeds onzeker of die vetzuren iets bijdragen aan de intellectuele ontwikkeling van de baby. Ook effecten van visolie op depressie worden steeds twijfelachtiger.

De belangrijkste claim voor visolie was dat het hartaandoeningen voorkomt, en ook die claim heeft met steeds zwaarder weer te kampen. Het begon zo voorspoedig. Deense onderzoekers ontdekten 40 jaar geleden dat Eskimo’s vrijwel geheel leefden van zeehondenvlees en -vet en toch geen hartinfarcten kregen. Dat was vreemd, want vlees en dierlijk vet werden beschouwd als slecht voor het hart. Maar zeehondenspek is geen gewoon spek: zeehonden eten vis en daarom bevat hun spek veel omega-3 vetzuren. Die remmen de bloedstolling — tenminste, in de reageerbuis. Een overactieve bloedstolling veroorzaakt trombose en hartinfarcten. De hypothese dat visvetzuren trombose verminderen verklaarde waarom Eskimo’s geen hartaandoeningen kregen. Daarop volgend onderzoek leek dat te bevestigen. Kromhout en medewerkers ontdekten dat mannen die vis aten minder kans liepen om te sterven aan een hartaandoening dan degenen die geen vis lustten, en in Italië werd in een groot experiment gevonden dat hartpatiënten langer leefden als ze visolie slikten. Bij proefdieren werden intussen nieuwe gunstige effecten van visolie op het hart ontdekt. Ons hart pompt bloed rond doordat alle hartspiervezeltjes zich gecoördineerd samentrekken en weer ontspannen. Als ze ieder voor zich samentrekken wanneer het hun goed dunkt, wriemelt zo’n hart als een blik met regenwurmen, er wordt niet meer effectief gepompt en de patiënt overlijdt. Plotse hartdood heet dat. Visolie bracht de hartspiervezels weer in het gareel — tenminste bij proefdieren. Dat klopte weer mooi met het Italiaanse experiment, want daar kwam vooral de plotse hartdood minder voor bij de visolieslikkers.

Alom werden grote experimenten gestart om definitief de heilzame werking van visvetzuren bij hartpatiënten aan te tonen. En toen droogde de stroom van gunstige uitkomsten op. Het slechte nieuws begon bij studies die zich specifiek richtten op het regenwurmeffect. Studies dus bij patiënten van wie het hart de neiging heeft onregelmatig samen te trekken. Die krijgen tegenwoordig een kastje in hun borst dat de samentrekking van het hart in de gaten houdt en zo nodig een elektrische schok geeft die de wriemelende hartspiervezels weer in het gelid jaagt. Verwacht werd dat deze patiënten minder schokken nodig zouden hebben als ze visolie kregen. Ik ben bij zo’n studie betrokken geweest, en ik herinner me onze teleurstelling toen bleek dat het niet werkte. Andere experimenten bij hartpatiënten komen nu stuk voor stuk tot voltooiing, en de resultaten stellen regelmatig teleur. Als je echt wilt kan je hier en daar nog wel een gunstig effect zien, maar het spectaculaire succes van het eerste Italiaanse onderzoek is niet te reproduceren. Was er iets mis met dat onderzoek? Of krijgen patiënten tegenwoordig zulke goede medicijnen dat visolie daar niets meer aan toe kan voegen? En mensen die vis eten en langer leven — doen die andere gezonde dingen waardoor hun harten gezonder blijven?

Het antwoord hebben we nog niet en de onderzoekers geven het niet op, maar ik vrees dat de hypothese over visolie en het hart dezelfde weg zal gaan als de antioxidanten: prachtige theorieën die door kille experimenten onderuit worden gehaald. Wetenschap gaat met vier stappen vooruit en met drie stappen achteruit, en voor de voedingsleer is dit een tijd van terugstappen. Gelukkig gaan we op de lange termijn nog steeds vooruit.

Bronnen: mkatan.nl

Deze column over wetenschap wordt afwisselend geschreven door de natuurkundige Robbert Dijkgraaf, de socioloog Paul Schnabel (over proefschriften), de voedingsdeskundige Martijn Katan, de neerlandicus Marita Mathijsen en de medicus Piet Borst.