'Ik had het te goed voor elkaar'

Ontwerper Hella Jongerius (1963) emigreerde drie jaar geleden naar Berlijn. Nu is ze even terug in Rotterdam, voor een overzichtstentoonstelling. ‘Ik wil de hand van de maker terugbrengen.’

Hella Jongerius, Designer

Ze is terug van weggeweest, en het voelt vreemd. Drie jaar nadat ontwerper Hella Jongerius naar Berlijn vertrok, is ze weer in Rotterdam, de stad waar ze de serviezen, vazen en meubels ontwierp die haar internationale roem brachten. „Het uitzwaaigevoel van drie jaar geleden overvalt me weer. Het is alsof ik opnieuw van iedereen afscheid moet nemen.”

Het weerzien is namelijk van korte duur: vandaag opent haar overzichtstentoonstelling Misfit in Museum Boijmans Van Beuningen. Voor het eerst zijn al haar producten van de afgelopen zestien jaar in één ruimte bij elkaar te zien. Dat idee maakt me zenuwachtig, zegt Jongerius bij het inrichten van de expositie. „Het geeft vast een onverwacht inzicht, vooral omdat bijna alle objecten aan de muren hangen, gerangschikt op kleur. Daar komt nog bij dat ik er meestal niet zo heel gelukkig van word mijn eigen werk te zien.”

Maar niet zeuren, vermaant ze zichzelf meteen. „Deze tentoonstelling is niet me, myself and I. Het is ook een feestje voor alle mensen met wie ik samenwerk.” En dan noemt ze designcriticus Louise Schouwenberg, met wie ze inhoudelijk veel brainstormt over haar werk, en grafisch ontwerper Irma Boom, die beiden betrokken waren bij het bedenken van de tentoonstelling. Dan, na een zucht: „Toch zal ik blij zijn als ik straks weer in mijn uppie in Berlijn zit.”

Het Berlijnse atelier van Hella Jongerius is een lichte, hoge ruimte met een tuin, een rustige plek aan een binnenhof. Een steegje door en je staat in een winkelstraat in Prenzlauer Berg, de voormalige DDR-wijk waar hip Berlijn is neergestreken. De dichtstbijzijnde winkel is een tattooshop. Aan de overkant is een boekwinkel waar de Amerikaanse sterschrijver Jonathan Safran Foer binnenkort een lezing houdt. Daarnaast is een kraakpand met vervaarlijke teksten op de gevel: Kapitalismus Tötet.

Hier heeft Jongerius zich de afgelopen jaren opgesloten, slechts bijgestaan door haar officemanager Siska Diddens. Een groot contrast met de jaren daarvoor. Toen werkte de Jongerius omringd door assistenten in een groot en deftig pand in het hart van Rotterdam, het voormalige woonhuis van C&A-directeur Brenninkmeijer.

Waarom wilde u weg?

„Ik had het te goed voor elkaar. Een fijn huis. De kinderen naast de deur op school. Een mooie studio met een goed team om de hoek. Alles zo op orde, dat maakt me onrustig. Ik vind het inspirerend om een beginner te zijn. Als beginner zie je de dingen scherp, draait je intuïtie op volle toeren. Het leek me ook prettig om een nieuwe cultuur te ontdekken. Verhuizen, ergens anders lekker opnieuw beginnen.”

De kredietcrisis was nog niet uitgebroken, andere bekende ontwerpers lieten hun studio’s juist uitdijen.

„Ik geloof niet zo in economische groei. Inhoudelijke verdieping, dát interesseert me. Maar verdieping staat op gespannen voet met het runnen van een studio, heb ik gemerkt. Ik had acht werknemers, te weinig om een art director en een personeelsmanager aan te stellen. Daarvoor moet je zeker dertig mensen in dienst hebben. Maar zo’n grote studio, daar wilde ik niet aan. Dan ben je gedwongen commerciële klussen aan te nemen. ‘U vraagt, wij draaien’, noem ik dat. Of ik even zo’n soort stoel wil maken. Of weer een serie vazen. Zo wil ik niet werken.”

Wat moet de uitdaging dan zijn?

„Bij elke opdracht wil ik het vak kunnen bevragen, kunnen innoveren. Design is zowel een onbelangrijk als een belangrijk vak. Zonder eten, drinken en liefde doet het er niet toe op wat voor stoel je zit. Aan de andere kant blijven onze ogen de hele dag door hangen aan alles wat ons omringt. Dus is het belangrijk dat die fysieke wereld relevant is, iets toevoegt, behaaglijk en comfortabel is.

„Met mijn studio lukte het wel om steeds te innoveren. Alleen kwam ik zelf niet meer toe aan onderzoek. Daarom heb ik de boel opgepakt: om weer te kunnen verdwalen in onderzoek. Dat ik die keuze kon maken, voelt als een enorme luxe.

„Overigens sta ik er niet alleen voor. Op afstand werk ik nog steeds samen met een stel van mijn vaste medewerkers, onder wie de ontwerpers Arian Brekveld en Edith van Berkel. En bij mijn industriële klanten heb ik onderzoeks- en ontwikkelingsteams die mijn plannen uitwerken. In Berlijn heb ik vooral de stilte en de aandacht gevonden die ik zocht.”

Waarom naar Berlijn?

„Londen en Parijs vielen af. Die steden zijn te duur en ik hou ook niet van de stress daar. We hebben naar Manchester en Brussel gekeken, andere second best cities. Berlijn kende ik niet. We zijn er een weekend heen geweest. Het voelde goed. Een groene stad, verwant met onze cultuur en met een interessant historisch verleden. Aangenaam ook.”

Aangenamer dan Rotterdam?

„Jaaa. Het prettigste is het gemeenschapsgevoel hier. Men let op elkaar. Als mijn kinderen op de fiets geen helm dragen, word ik op de vingers getikt. Stapt er opeens een automobilist uit die zegt: ‘Mevrouw, dit kunt u niet maken.’ Berlijn is ook een familiestad met veel internationale gezinnen met jonge kinderen. Ik herken mezelf op straat, dat is prettig.”

Het lijkt wel alsof u minder producten bent gaan ontwerpen.

„Ja, ik ben mee gaan denken met bedrijven. Ik heb ontdekt dat ik als adviseur écht iets kan verbeteren in de industrie. Innovatie zit niet per se in een nieuw product.

„Dat inzicht is geleidelijk ontstaan. Vitra (de Zwitserse meubelfabrikant) vroeg me een paar jaar geleden nieuwe materialen te kiezen en een kleurpalet te ontwikkelen. Bedrijven nieuwe inzichten bieden, dat gaat me goed af, merkte ik. Ik ben fris, een buitenstaander met een scherpe blik – als ontwerper én als consument.

„Bij mijn keuze voor een andere rol speelde de tijdgeest ook mee. Net nadat ik mijn studio in Rotterdam had opgedoekt, brak de kredietcrisis uit. Dat zette me aan het denken. Zitten we met z’n allen wel te wachten op nog meer nieuwe spullen?”

Een oud-werknemer vergelijkt u met de zangeres Madonna. Volgens hem voelt u de tijdgeest goed aan en bent in staat uzelf steeds opnieuw uit te vinden.

„Mijn grootste talent is mijn intuïtie. Ik weet altijd heel scherp wat ik wil. Toen de kredietcrisis uitbrak, zat ik net vier maanden in Berlijn. Ik wil niet zeggen dat ik de problemen had voorzien. Maar toen die storm over de wereld raasde, was ik wel financieel crisisbestendig.”

Zouden meer ontwerpers een rol als adviseur moeten ambiëren?

„Je moet als ontwerper nu samenwerken. Met de industrie, met wetenschappers, met het onderwijs. Met elkaar proberen iets teweeg te brengen. Ik doe dat bij de industrie. Bij bedrijven zijn marketeers veel te belangrijk geworden. Marketeers zijn volgers, geen vernieuwers. Zij maken de boel dood, kijken met economische ogen. Als bedrijven vaker ontwerpers, maar ook kunstenaars en wetenschappers inschakelen, kan dat betekenisvolle producten opleveren, producten die de verbeelding aanspreken.”

Wat wilt u precies veranderen bij de industrie?

„Ik probeer een alternatief te bieden voor de standaardisatie en nieuwe vormen van kwaliteit te brengen. Sinds de industriële revolutie komen producten perfect van de lopende band gerold. Die perfectie heeft geleid tot affe, koude producten. Ik wil de hand van de maker terugbrengen. Ambachtelijke sporen in seriematig vervaardigde producten zorgen voor rijkere producten. Die sporen vormen het bewijs dat aan een product aandacht is besteed. Ik noem die kleine onderlinge verschillen misfits – mijn vorm van perfectie.”

Een hamburger moet in Moskou toch juist hetzelfde smaken als in Chicago of Peking?

„Dat is een oude gedachte. Het individuele gaat het winnen. Nu is nog slechts een kleine groep zich daarvan bewust. Maar uiteindelijk zal de vraag naar minder eenvormige producten breed gaan leven.”

Geeft u eens een voorbeeld?

„De afgelopen jaren heb ik me beziggehouden met kleuronderzoek. De verfindustrie biedt alleen nog kleuren die onder alle omstandigheden gelijk blijven. Die kleurvastheid verkopen ze als kwaliteit, maar het is in feite merkbescherming. Leveren wat wordt beloofd, om zo rechtszaken te voorkomen.

„Naar mijn idee willen consumenten iets wat nu niet voorhanden is: mooie, interessante kleuren, die ademen met het licht. Maar door de standaardisatie zijn die er niet. Kleurrecepten zijn heel eenvoudig geworden. Voor donkere kleuren wordt carbonzwart gebruikt, voor lichte kleuren titaanwit. Alle donkere kleuren hebben daardoor een grijze gloed gekregen, in de lichte kleuren schemert steeds dat harde, chemische wit.

„Honderd jaar geleden was kleur nog een cultuurgoed, kijk naar onze schilderkunst. Die rijkdom is teloor gegaan. De afgelopen jaren heb ik geprobeerd met oude recepten weer iets van die verloren cultuur terug te brengen.”

Heeft de verfindustrie belangstelling voor kleuren die niet gegarandeerd kunnen worden?

„Toen ik op andere terreinen de imperfectie aanwees, vond dat weerklank. Ik hoor nu regelmatig marketingpraatjes waarin op het belang van imperfectie wordt gewezen.

„Toen ik Vitra voorstelde om de bloedeloosheid van unistoffen voor kantoorstoelen te verdrijven met stoffen met verschillende soorten garens, sputterden de marketingmensen. Verschillende garens zijn lastiger te controleren en leveren minder uniforme testresultaten op, klaagden ze. Maar de conservatieve kantoorwereld reageerde heel goed op mijn duotone-stoffen. Ze bieden meer levendigheid en huiselijkheid. Mijn hang naar misfits is niet een particulier verhaal. De imperfectie, daar zijn we met z’n allen aan toe.”

In het schap bij de Blokker is daar nog niks van te merken.

„Ik kan toch een wereld openen? Banken met vier verschillende kleuren stof erop bestonden niet. Nu is mijn Polder Sofa de bestverkopende bank van Vitra. In mijn tentoonstelling in museum Boijmans demonstreer ik een uitkomst van mijn kleuronderzoek. De muren heb ik laten schilderen in vijftien verschillende tinten zwart. Die zwarten zijn gemaakt op basis van oude recepten, met Elfenbeinschwartz, een heel fijn pigment dat in de industrie niet meer wordt gebruikt omdat machines er van vast lopen. De Zwitserse verffabrikant KT Color heeft die zwarten met de hand gemengd. In combinatie met andere pigmenten als omber en ultramarijn krijg je bijzondere kleuren zwart. Wat je ziet, is een verloren wereld.”

En nu net als Jan des Bouvrie een eigen verflijn?

„Tijdens mijn kleuronderzoek heb ik de hele tijd gedacht: géén Hella Jongerius-verflijn. Des Bouvrie selecteert kleuren uit de bestaande kleurenwaaiers, ik meng nieuwe kleuren. En het doel van mijn onderzoek is dat de industrie op een andere manier naar kleur gaat kijken en kwaliteit anders zal definiëren. Wat ik doe is cultuur aanbieden, bewustzijn creëren over kleine gebaren.”

En nieuwe producten zijn daaraan ondergeschikt?

„Ja. Al die pogingen om de zoveelste nieuwe stoel te maken... vanaf dag één heb ik daar al moeite mee. Ik heb een haat-liefdeverhouding met mijn vak.”

‘Hella Jongerius - Misfit’ t/m 13 febr in Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. Bij de tentoonstelling verschijnt de door Louise Schouwenberg geschreven en door Irma Boom vormgegeven monografie ‘Hella Jongerius – Misfit’, een uitgave van Phaidon.

    • Arjen Ribbens