Goud is riskant, geld ook

De Autoriteit Financiële Markten (AFM) waarschuwde een paar weken geleden tegen al te veel enthousiasme over beleggingen in goud. De prijs van het edelmetaal is de laatste vier á vijf jaar in euro’s verdubbeld en in dollars zelfs drie keer over de kop gegaan. Dat lijkt verdacht veel op een zeepbel in ontwikkeling.

Maar deze week kwam president Robert Zoellick van de Wereldbank met de suggestie dat er misschien iets gedaan moet worden aan het feit dat het wereldwijde financiële systeem steunt op één reservemunt, de Amerikaanse dollar.

Als alternatief stelde Zoellick een mandje met valuta’s voor, waarin ook de euro, yen, Britse pond en Chinese yuan zouden moeten zitten. En ja, goud. Want „hoewel de economische theorie goud beschouwt als een achterhaalde geldvorm, zien de financiële markten het meer en meer als een alternatieve valuta”.

Zoellick, een belangrijke speler op het internationale toneel, plaatste zijn artikel vorige week in de Financial Times. De krant was nog niet bezorgd of de goudprijs spoot opnieuw met bijna 10 procent omhoog. Het zit de AFM niet mee, misschien moet ze ook nog even een waarschuwing naar Washington sturen. En naar de centrale banken van de wereld die, als ze met Zoellicks suggestie meegaan, ook flinke hoeveelheden goud moeten kopen.

Er zijn veel mensen die iets zien in goudbeleggingen. Dat betekent niet dat zij in goud zo veel, maar dat zij in gewoon geld zo weinig vertrouwen hebben. Zij gebruiken geld om de boodschappen te betalen, maar liever niet om hun pensioen of spaargeld in vast te leggen. Zij vluchten niet in het goud, maar uit het geld. Zo bezien stijgt niet de prijs van het goud, maar daalt de waarde van het geld.

Een belegger is als iemand die in de liftenhal van een wolkenkrabber staat. Er zijn eindeloos veel liften, en dat zijn allemaal beleggingscategorieën. Voor de belegger is het de kunst die liften te kiezen die hem omhoog zullen brengen, en de liften te vermijden die omlaag zullen gaan – om maar te zwijgen over liften die zullen crashen, want die zijn er ook. En bij de liftdeuren staan geen pijltjes omhoog of naar beneden, je komt er pas achter als je erin zit.

Een belegger die geen zin heeft in dit kansspel zou kunnen besluiten dat hij gewoon op de begane grond blijft staan. Dat kon misschien ooit in een mythisch verleden, toen geld nog geld was en dat gewoon bleef. Dan bewaarde je je spaarcenten onder een matras of bij een bank, en als je het nodig had was het nog net zoveel waard als toen je het wegstopte.

Maar nu is de begane grond van het nominale geld aan het bewegen. Die is zelf een lift geworden. Chairman Bernanke van de Amerikaanse centrale bank zit er aan de knoppen, en hij gaat omlaag. Zijn idee is dat als de andere liften niet willen stijgen, hij wel zijn eigen lift kan laten zakken. Dat geeft een optische illusie.

Dan kan de werkelijkheid tegenvallen, maar dat valt niet op want de cijfers staan in de plus. Dat is dan ook mooi aan het lukken: sinds het dieptepunt van 2009 zijn de koersen op Wall Street bijna verdubbeld. Dat is net zo veel als de goudprijs in die periode. Misschien moet de AFM daar ook iets over zeggen.

De manier waarop Bernanke aan de knoppen draait heet quantitative easing – kwantitatieve versoepeling of, in het Nederlands, geld bijdrukken. De nieuwste ronde ging begin deze maand van start, voor een bedrag van 600 miljard dollar.

Een belegger of spaarder voelt zich daarbij als het jongetje op het schoolplein dat door behendig spel een grote zak knikkers heeft gewonnen – om er de volgende ochtend achter te komen dat de bovenmeester met ‘kwantitatieve versoepeling’ is bezig geweest en massa’s knikkers heeft uitgedeeld aan de andere kinderen.

De meester kan prima uitleggen dat er extra knikkers nodig waren om het spel gaande te houden; of dat ze alleen maar tijdelijk zijn uitgeleend en dat hij ze later zal terughalen.

Maar het jongetje met zijn knikkerzak voelt zich bedrogen. Kennelijk kan er gerommeld worden met iets dat hij voor zeker hield, en het rommelen gaat niet zijn kant uit. Hij krijgt een geweldige hekel aan manipulatieve technocraten en hun ingewikkelde verhalen, ruilt snel zijn knikkers om voor goud, en bij de volgende verkiezingen stemt hij op een Tea Party-kandidaat of op Wilders.

De gouden standaard, tot in de vorige eeuw het internationale anker voor de waarde van het geld, was niet ideaal. Het systeem was kwetsbaar voor oppotgedrag, en economische groei was afhankelijk van de hoeveelheid goud die er toevallig beschikbaar kwam. Toen in de 16de eeuw het goud van de Inca’s in Europa landde, leidde dat tot gierende inflatie. Als de productie van goudmijnen laag was, belemmerde dat de groei. Dat kon beter, stelde de Britse econoom Keynes. Laat de geldhoeveelheid niet door de toevallige aanvoer van goud bepalen, maar door rationele, onafhankelijke mensen.

Keynes had gelijk. Ruim een halve eeuw heeft zijn systeem goed gewerkt. Maar nu ziet het ernaar uit dat we tegen een nieuwe schaarste aanlopen. Deze keer is dat geen tekort aan goud, maar aan de verstandige en vooral onafhankelijke mensen waar Keynes het over had.

Onafhankelijkheid is een droombeeld geworden; iedereen is ergens gijzelaar van. Welke beleidsmaker durft onverantwoordelijke systeembanken te laten vallen, of failliete landen? Wie is vrij om van zijn eigen stokpaard af te stappen, zoals Bernanke met zijn historische uitspraak dat hij desnoods bereid is dollarbiljetten uit een helikopter te strooien?

Er is een gerede kans dat de lift van Bernanke in een vrije val terecht komt. Een vlucht in goud is misschien irrationeel en riskant, maar geld is ook niet veilig.