DEBAT VAN DE WEEK

De staat van de Staat. Door NRC Handelsblad en De Unie in Debat. Met Jan Marijnissen en Ben Verwaayen, voormalig Lantaren/Venster in Rotterdam, woensdag 10 november.

De staat van de Staat, of van het kapitalisme

Zo leidde een debat over de toestand van de overheid, ofwel De staat van de Staat, tot een discussie over postbodes.

Geen mens schrijft nog een brief, zei Ben Verwaayen.

Postbode was een eerzaam beroep, zei Jan Marijnissen.

Verwaayen is topman van het Franse telecombedrijf Alcatel-Lucent en was in 2006 mede-auteur van het verkiezingsprogramma van de VVD. Marijnissen is oud-fractieleider van de SP. Volle zaal.

Marijnissen sprak van tante Truus, die elke ochtend om elf uur voor het raam verschijnt. Als ze dat niet doet, merkt haar vaste postbezorger, in overheidsdienst, dat op. Nu werkt hij voor TNT of Sandd en sprokkelt hij karige uren bijeen tegen een schamel loon. Waarom zou je het salaris van een postbode halveren, schamperde Marijnissen. „Schandalig! En die marktwerking heeft er alleen maar toe geleid dat er nu postbodes van drie verschillende bedrijven in de wijk lopen.”

Wat moet er dan gebeuren, vroeg gespreksleider Bas Heijne.

Terug naar een monopolie, antwoordde Marijnissen.

Verwaayen, onder wiens verantwoordelijkheid dat monopolie destijds juist werd opgeheven: „Dus ik heb de beschaving afgebroken? Zo goed was het niet. Als je een telefoon wilde, diende je een aanvraag in. Als je geluk had, werd die snel in behandeling genomen door een ambtenaar, die door niemand werd gedwongen om op te schieten.”

Die service is er anders niet beter op geworden, zei Marijnissen.

Maar de prijsdaling is fenomenaal geweest, zei Verwaayen.

De rollen waren duidelijk.

Marijnissen was de ouderwetse socialist die alle privatiseringen wil terugdraaien, opdat „die zakkenvullers opsodemieteren, zo’n kletsmajoor in zo’n zorgkantoor, die nog nooit de billen van oma heeft schoongemaakt”.

Verwaayen was de liberale topman die fier zijn geloof in de markt uitdroeg. Wat hem betreft debiteerde Marijnissen „makkelijke teksten, die hem natuurlijk een applausje uit de zaal opleveren, maar die niets oplossen”.

Eens zouden ze het nooit worden, de leeftijdsgenoten – beiden geboren in 1952. Dat was nog geen excuus om bij tijd en wijle volkomen langs elkaar heen te praten. Verwaayen ontdook soms een vraag van Marijnissen, die dan theatraal zijn armen ten hemel hief en zei dat het verhaal van zijn opponent „alle kanten op” ging.

Beide strategieën waren niet zo chic. Maar wie won?

Marijnissen vond dat de overheid regels moet maken om te voorkomen dat een Amerikaans bedrijf in Oss er zomaar 2.175 Nederlandse werknemers uitkiepert.

Kan niet, zei Verwaayen. Dat bedrijf neemt die beslissing omdat het werk nu eenmaal goedkoper kan. Dat willen consumenten. En met dit soort regeltjes vestigt geen bedrijf zich nog in Nederland.

Daarvan had Marijnissen slecht terug. Verwaayen won, op punten.

Derk Walters