Zie het beton draaien

‘Midden in de wereld’, is het motto van de eindelijk bekroonde Michel Houellebecq. De huidige generatie Franse schrijvers bijt zich vast in de realiteit, met groots resultaat, ziet Margot Dijkgraaf.

A demonstrator holds a placard which reads 'the elite is cut off from the people', as he stands on a statue during a rally to protest France's decision to raise the retirement age, in Paris, Saturday, Nov. 6, 2010.(AP Photo/Michel Spingler) AP

Drie keer is scheepsrecht. In 2001 en 2005 werd Michel Houellebecq gepasseerd voor de Prix Goncourt. Platform en Mogelijkheid van een eiland strandden op het laatste moment in de verkiezing. Maandag kreeg hij de prijs dan eindelijk, voor La carte et le territoire.

Het boek (besproken in Boeken, 10-09-10) is in zekere zin typisch houellebecquiaans. De liefde kan niet voortduren, vader- zoonrelaties zijn moeizaam, aftakeling en dood liggen om de hoek. Ook zijn klinische toon is herkenbaar, zijn sociologische inslag en zijn visie op Frankrijk, het land dat over afzienbare tijd niet meer zal zijn dan een toeristische trekpleister, een romantische chambre d’hôte waar de economisch succesvolle Chinezen en Brazilianen komen uitrusten van hun hectische bestaan als managers van de wereld. Maar tegelijkertijd is La carte et le territoire een Houellebecq light, met meer (zwarte) humor, een flinke dosis zelfspot en minder loodzwaar cynisme. Niet echt provocerend, wel geestig.

‘Midden in de wereld’ luidde het motto van eerdere romans van Houellebecq, die daarmee aangaf dat hij zijn ogen niet in zijn zak had, dat hij de wereld te lijf wilde gaan en dat dat nu precies de taak van de schrijver was. Houellebecq staat niet alleen in dat streven. Ook andere dit jaar voor de grote prijzen genomineerde romans bemoeien zich intens met de wereld, ze nemen stelling, analyseren en duiden op verschillende manieren de Franse sociale onvrede. In deze literatuur geen navelstaarderij, geen eenzijdige autofictie, geen boterzacht sentiment of eerste liefdesverdriet. In deze boeken kunnen we lezen hoe de wereld waarin we leven er eigenlijk uitziet en hoe we het Frankrijk van nu moeten duiden.

De hoofdpersoon van Apocalypse bébé bijvoorbeeld, de nieuwe dikke roman van Virginie Despentes, die maandag de prix Renaudot in de wacht sleepte, is de zestienjarige Valentine. Ze is de dochter van een middelmatige schrijver die hunkert naar media-aandacht en een vrouw die er vandoor is gegaan toen het meisje nog heel jong was en sindsdien geen contact meer met haar wil. Een meisje, zo kun je je voorstellen, zoals ze meeliepen in de manifestaties van de afgelopen weken in Frankrijk, protesterend tegen de hervorming van het pensioenstelsel.

Wat was de drijfveer van al die middelbare scholieren en studenten, die vaak nog geen dag hadden gewerkt, om zich zo luidruchtig, en soms gewelddadig, af te zetten tegen een maatregel die voor hen nog meer dan een halve eeuw in de toekomst lag? Serieuze ongerustheid over de jeugdwerkloosheid? Over hun oude dag? Een verkapt nee tegen het immigratiebeleid, een gevoel van uitsluiting dat opspeelt? Of is er geen inhoudelijke reden aan te geven en gaat een bepaald soort jongeren gewoon protesteren – om het even tegen wat?

Wie Virginie Despentes leest krijgt daar wel een idee over. 15 jaar geleden verscheen Baise- moi (in het Nederlands vertaald als Genaaid), een boek dat een schandaal veroorzaakte wegens de perverse seks en geweld die de schrijfster over haar lezer heen stortte. In latere romans, zoals Teen spirit (Grasset, 2002), luidde de schrijfster en cineaste de noodklok voor de verpeste, verwende jeugd in de Parijse jetset.

Despentes, inmiddels 41, heeft zich ontwikkeld van een razende jonge vrouw tot een boze rijpere vrouw, van een schreeuwende, protesterende, vloekende pen tot een vaardige, rustigere maar niet minder indrukwekkend felle plume. ‘De jeugd ontspoort’, is haar thema, ‘doe er wat aan!’ is haar boodschap. En dan heeft ze het niet over de kinderen die opgroeien in achterstandsgezinnen, in de banlieues, maar over tieners uit welvarende, intellectuele gezinnen, die naar goede scholen gaan, kinderen met te veel geld en te weinig aandacht. Jongeren met dure kleren en de laatste iPod, maar zonder ouder die grenzen stelt, luistert en verbiedt. Een meisje als Valentine. Despentes laat zien hoe een dergelijk meisje, rijk maar doodeenzaam en emotioneel verwaarloosd, volledig kan ontsporen.

Dat doet ze knap en meeslepend. Geweld, pillen en verkrachting zijn nog steeds elementen in Despentes’ universum, maar het choquerende gehalte ervan is tot draaglijke proporties teruggebracht. Net als Houellebecq zijn de extreem polemische scherpe kantjes ervan af, maar blijft ze hameren op wat zij ziet als de rotte plekken in de samenleving.

In Apocalypse bébé laat Despentes alle mogelijke milieus de revue passeren, niet alleen giechelende schoolmeisjes, maar ook coole lesbiennes, jonge racisten, extreem-rechtse punkers, kloosterzusters en gewelddadige nihilisten – allerlei mensen, kortom, die zich in de marge bevinden, zich ergens tegen afzetten, erbuiten vallen.

Over dat buitenstaanderschap, dat gevoel van uitsluiting en ook over het onbegrip tussen mensen uit verschillende culturen – ook een element in de Franse onvrede van dit moment – gaat ook Une année chez les Français van de Frans-Marokkaans-Nederlandse auteur Fouad Laroui, een boek dat eveneens voor de Goncourt werd genomineerd. Het is een sleutelboek in Laroui’s oeuvre dat inmiddels bestaat uit romans, bundels korte verhalen, essays en poëzie. Verhalend en geestig, hilarisch en op het absurde af.

De kleine, magere, Marokkaanse jongen die op zijn tiende jaar met twee kalkoenen als interne bij het chique Lycée Lyautey in Casablanca wordt afgeleverd, komt uit zo’n andere omgeving dan zijn medeleerlingen dat hij in eerste instantie nauwelijks begrijpt waar ze het over hebben. Zijn wereld bestaat uit de boeken die hij heeft gelezen, zijn wereld is talig, zijn vocabulaire literair, zijn referenties zijn Diderot, Racine, Voltaire en Victor Hugo. Een televisie heeft hij nog nooit gezien.

Het is de taal die zorgt dat je erbij hoort, de taal die je uitsluit. Niet eerder verkende Laroui zo persoonlijk de uithoeken van het talige exil- universum. ‘Wat doe ik hier’, vraagt zijn jonge hoofdpersoon zich wanhopig af. Wat moet hij bij die Fransen die alles anders doen, die hij niet begrijpt, ook al doet hij nog zo zijn best? Die Fransen met hun vooroordeel over Marokkaanse moslims, hun onbegrijpelijke humor, hun bizarre uitdrukkingen. Wat een eenzaamheid, wat een onrust in deze actuele roman over thema’s van uitsluiting, integratie en aanpassingsvermogen.

De hedendaagse Franse romans zijn het werk van auteurs die gedreven worden door een overtuiging of een passie, tintelend van energie of dat nu boosheid, verdriet, verontwaardiging of een mengeling van dit alles is. In haar voor de Prix Médicis genomineerde autobiografische roman Une année avec mon père verwoordt Geneviève Brisac hoe ze een jaar lang haar vader begeleidde na een auto-ongeluk waarbij hij zwaargewond raakte en waarbij haar moeder overleed. In prachtige, korte, persoonlijke penseelstreekjes verhaalt ze hun moeizame gesprekjes. Wat kenden ze elkaar eigenlijk slecht. Maar wat Brisac in haar roman ook laat zien is hoe Frankrijk met zijn zieken en bejaarden omgaat. Boven de 70 is kinds, afgeschreven, weggeborgen, opgeruimd. Respect voor ouderen? Niet in het ziekenhuis.

De tijd waarin Franse schrijvers verweten kon worden dat ze zich vooral bezighielden met vorm en structuur is voorbij. Als er een ding is dat deze recente Franse literatuur gemeen heeft, is het dat ze de werkelijkheid probeert te vatten. Ze onderneemt een reis om, zoals Milan Kundera zei, onbekende werelddelen te ontdekken en in kaart te brengen, ze tracht ‘te zien wat hun voorgangers niet zagen, te zeggen wat zij niet zeiden’.

Dat geldt, bijna letterlijk, voor een roman waarin een brug wordt gebouwd in de Amerikaanse stad Coca, Naissance d’un pont van Maylis de Kerangal, die bekroond werd met de Prix Médicis. De hoofdrol in deze roman is voor een brug, dat wil zeggen, voor een bouwplaats vol beton, hijskranen, steigerbouwers, metselaars, duikers, lassers, frezers en andere bouwarbeiders. Van het ene project naar het andere vliegen ze, de toparchitect, de chef beton, het hoofd machines en de andere vakmensen. Een paar maanden hier, een jaar daar, ze vormen het levende bewijs van de globalisering. In Coca bouwen ze, als was het Sim City, een enorme brug die de stad met haar achterland moet verbinden. De indianencultuur wordt om zeep geholpen, de oorspronkelijke identiteit gaat te gronde, ecologische bewegingen laten een protest horen. Maar het mag niet baten. De ambitieuze burgemeester moet en zal zijn stad op de internationale kaart zetten, heeft zijn ideeën opgedaan in Dubai en vindt de oude wijken ‘te Europees’, te burgerlijk. De megabrug is symbool van de vooruitgang.

We volgen een tiental personages in hun werk en hun tegenslag, vernemen af en toe iets over hun persoonlijk leven, maar het is niet de intrige of de psychologie die deze schrijfster interesseert. Ze wil zo dicht mogelijk op de realiteit zitten. Zelden las ik een boek waarin zoveel technisch en specifiek bouwvocabulaire langs komt. Je ziet het beton draaien, de kabels spannen, het metaal gelast worden, de bouwtorens groeien.

Bij Kerangal dénkt een personage niet. Pas als hij dóét, is hij interessant. ‘Het gaat niet om de innerlijke ervaring’, laat de schrijfster de baas van het immense bouwterrein zeggen, ‘als men hem te triviaal vindt, te weinig introspectie vindt hebben of te weinig diepgang. Het gaat er niet om je in jezelf te keren, het gaat om de breuklijn, ik houd ervan als het scheurt’.

Deze nieuwe generatie Franse auteurs kijkt niet naar binnen, ontleedt haar zieleroerselen niet – hoogstens gemaskeerd en en passant – maar zij probeert de relatie tussen de wereld en haarzelf te doorgronden. Die verandert voortdurend, blijft ongrijpbaar, maar opgeven is er niet bij. Ze staan en blijven middenin de wereld. Houellebecqs motto geldt ook voor hen.

Geneviève Brisac: Une année avec mon père, Editions de l’Olivier, 178 blz. € 16,–Virginie Despentes: Apocalypse bebé, Grasset, 343 blz. € 23,90Michel Houellebecq: La carte et le territoire, Flammarion, 428 blz. € 26,58Maylis de Kerangal: Naissance d’un pont. Verticales, 317 blz. € 18,90Fouad Laroui: Une année chez les Français, Julliard, 304 blz. € 19,–

    • Margot Dijkgraaf