Zeiver en laammaeke

Jazz en abstractie waren twee van de inspiratiebronnen voor cabaretier Toon Hermans, zo blijkt uit zijn biografie. ‘Dat zal voor menigeen een verrassende vaststelling zijn’, meent Henk van Gelder .

Toon Hermans in kleedkamer. Nico van der Stam / MAI/Hollan>

Jacques Klöters: Toon. De biografie. Nijgh & Van Ditmar, 534 blz. € 27,50

Toon Hermans maakte alles mooier dan het was. Niet alleen op het toneel, door zo veel blijheid uit te stralen dat een deel van het publiek hem allengs niet meer lustte, maar ook daarbuiten – in interviews en in de vele boekjes die hij schreef. Al op pagina 24 van zijn monumentale boek Toon moet biograaf Jacques Klöters ingrijpen. ‘Ik ben begonnen als couveusekindje’, schreef Hermans ooit. Onzin, meldt Klöters: al een paar uur na zijn geboorte werd de zuigeling gedoopt in de Grote Kerk in Sittard. ‘De couveuse zal vast niet mee de kerk in zijn gekomen.’ En van het verhaal dat Hermans’ moeder na de bevalling nog vier weken in het ziekenhuis zou hebben gelegen, klopt ook al niets. Laat staan dat de moeder haar kind pas na die vier weken voor het eerst in de armen kreeg en toen zou hebben gezegd: „Dat is mijn kind niet.”

Al is die laatste leugen misschien wel veelzeggend: tussen Toon Hermans en zijn moeder heeft nimmer een liefderijke band bestaan. Ze toonde zelden enige interesse in de succescarrière van haar zoon. Ook niet toen hij kort na de oorlog, als snel populair geworden radio-artiest, terug naar Sittard kwam gereden in de 16-cilinder Cadillac die hij zichzelf al jaren eerder had beloofd. „Toneel is niets voor ons soort mensen”, luidde haar devies.

Gevoel en kolder

Die vijandigheid die Hermans thuis – toen iedereen hem nog Teun noemde – heeft ervaren jegens zijn artistieke ambities, heeft hem volgens Klöters levenslang getekend: ‘Thuis ging het om verstand en kennis, Teun zocht het in gevoel en kolder. Door zijn lage sociale positie wilde Teun zich voortdurend beter voordoen dan hij was. Hij moest zijn ware gevoelens, zijn honger, zijn verdriet en de gaten in zijn schoenen verborgen houden, hij moest steeds ontkennen dat hij ongelukkig was. Het werd zijn tweede natuur om zijn wereld mooier voor te stellen dan ze was.’

Zo uit de context gelicht klinkt dit citaat nogal sentimenteel, alsof dit een biografie is volgens het geijkte van-loopjongen-tot-miljonairsprocédé, maar Klöters weet heel aannemelijk te maken dat het inderdaad zo is gegaan. En dat daarin ook een verklaring ligt voor de verheerlijkende toon waarop Hermans in zijn latere shows over zijn Limburgse afkomst zong en sprak (zonder er overigens zelf nog te wonen).

Toon laat zien hoe Toon Hermans zich al snel losrukte uit Limburg. Zelfs in de lokale revues waarvan hij als prille twintiger de auteur en de ster was, verving hij het gebruikelijke Limburgse dialect voor gangbaar Nederlands. Zijn eerste successen in de Randstad dateren uit de oorlog. In een fotokatern staat zijn aanmelding voor de Kultuurkamer gereproduceerd. Na de Bevrijding volgden diverse revuetjes waarin zijn rol steeds groter werd, tot hij in 1953 voor zichzelf begon – aanvankelijk nog met een eigen ensemble en een paar jaar later, als eerste in Nederland, met een onemanshow. Daarin kwamen twee inspiratiebronnen samen die nooit ergens anders samengingen, constateert Klöters. De eerste bestond uit twee typisch Sittardse carnavalsgebruiken: de zeiver (‘onzinnige kletspraat’) en het laammaeke (‘elkaar lam van het lachen maken door iemand voor de mal te houden met lang en aanhoudend komisch doorzeuren’). Iedereen die Hermans ooit over de stoel van zijn zuster heeft horen zeveren, of over zijn afkeer van Snieklaas, weet wat hier wordt bedoeld.

De tweede inspiratiebron was een heel andere: de symbiose van jazz en abstractie in de beeldende kunst en de poëzie, die Parijs in het begin van de jaren vijftig tot bedevaartsoord maakte voor een nieuwe generatie kunstenaars. Al in 1957 wees criticus H.A. Gomperts in Het Parool op de overeenkomsten tussen Hanlo’s gedicht Oote oote boe en Hermans’ quasi-Franse liedje Boum si la la.

Voorhoede

Het zal, zoveel jaar na dato, voor menigeen een verrassende vaststelling zijn: dat Toon Hermans destijds amusement maakte waarin een belangrijk avant-gardistisch element school. De breuk met de artistieke voorhoede kwam pas in de jaren zestig, toen steeds meer mensen hun boterham niet alleen meer met tevredenheid wensten te besmeren, de kerken begonnen leeg te lopen en de ooit met zo veel eerbied benaderde autoriteiten doelwit van protest en spot werden. De naoorlogse jongeren kregen toen hun eigen helden, van wie het duo Neerlands Hoop met Freek de Jonge (die trouwens een fervent Toon-fan was) en Bram Vermeulen de meeste indruk maakte. Daar paste Toon Hermans niet meer bij: ‘Toon Hermans was nog van de hongerwinter, zelfs nog van voor de oorlog, diep geworteld in de vooroorlogse Roomse blijheid.’ Toch bleven veel Nederlanders hem trouw. Ook in de jaren zestig, zeventig en tachtig trok hij volle zalen, torenhoge kijkcijfers en topomzetten in de verkoop van platen en boeken. Dat werd op den duur, toen hij niet zo veel hilarische lachnummers meer maakte, weliswaar wat minder, maar tot hoge leeftijd kon hij zich wentelen in een ongekende populariteit.

Jacques Klöters heeft veel verstand van amusement en laat dat in dit boek vaak merken. Zijn gedetailleerde beschrijving en analyse van een show geven veel inzicht in de finesses van ’s mans talent. Hoe hij zijn gezicht oranje zonnig schminkte, hoe hij het aanvankelijk uit individuen bestaande publiek na een minuut of tien tot eenheid had gesmeed. En ook hoe hij doelbewust een rol speelde: ‘Toon was de kunstenaar en Toon Hermans zijn kunstwerk.’

Soms werd er geschokt gereageerd als hij die rol buiten het toneel niet meer speelde; dan kon hij een dwingeland zijn – grillig, manipulatief, monomaan, egocentrisch. Of uitgekookt, bijvoorbeeld toen hij besloot zijn musici voortaan een lachpremie van 25 gulden per dag te betalen als ze tijdens de voorstelling zaten te lachen om alle al honderd keer eerder gehoorde grapjes. Zodat hij tegen zijn publiek kon zeggen: „Let op de muzikanten, mensen, als ze moeten lachen, dan is het nieuw!”