Vang de nacht

Moderne operacomponisten maken graag gebruik van elementen uit de film. Arnoud Noordegraaf gaat daarbij het verst. In ‘A.M.’ dat morgen in première gaat, laat hij zich inspireren door Tokio. Gefilmde personages zingen samen met een zangeres op het podium.

In Tokio staat op elke straathoek een verkoopautomaat. Voorbijgangers kunnen er 24 uur per dag drank, etenswaren en sigaretten, maar soms ook paraplu’s of gympen uit de muur trekken.Volgens Yoshi, een van de twee personages in de muziektheatervoorstelling A.M., vangen die apparaten de geluiden van de stad op. Lachende mensen, een ruziënd stel, voorbijrazende auto’s of muziek uit de verte: alle klanken hopen zich op in die automaten. Hij trekt ’s nachts met een contactmicrofoon en een opnameapparaat door de stad om ze te verzamelen.

Aan het begin van A.M. ontmoet Yoshi het meisje Kyoko. De twee zijn zielsverwanten, maar raken elkaar al snel kwijt in het stadsgewoel. Op video volgen we hun omzwervingen door de stad. De beelden, vol oogstrelende sfeerimpressies van nachtelijk Tokio, worden geprojecteerd op twee grote schermen die uiterst links en rechts voor het publiek staan.

Op de speelvloer in het midden bevindt zich de enige fysiek aanwezige uitvoerder, de Japanse sopraan Mikae Natsuyama. In haar aria’s becommentarieert zij de gebeurtenissen op video, al wordt gaandeweg duidelijk dat ze wel degelijk onderdeel van de handeling is.

A.M. houdt het midden tussen kameropera, film en installatie. Componist en regisseur Arnoud Noordegraaf begaf zich eerder in dit grensgebied. Zo maakte hij onder meer Voyager (2004), een kameropera voor sopraan, soundtrack en videoprojectie, en Solitude (2005), een soort installatie-met-verhaal die het publiek met koptelefoons en talloze projectieschermen in een op Paul Auster geïnspireerde wereld onderdompelt.

Er zijn in Nederland meer componisten die video in hun werk integreren. Het leidde tot verder vrij reguliere opera’s met een filmelement, zoals onlangs Anaïs Nin van Louis Andriessen en Wake van Klaas de Vries, maar ook tot composities waarin ‘live’ en ‘video’ veel fundamenteler met elkaar verknoopt worden. Een indrukwekkend voorbeeld is One (2002) van Michel van der Aa, met tongbrekende duetten tussen een sopraan op het podium en haar alter ego op video. Vergelijkbare dingen gebeuren in Van der Aa’s recentere projecten After Life en Book of Disquiet, waaraan Noordegraaf overigens meewerkte als assistent.

A.M. gaat morgen in première op November Music in Den Bosch. De repetities vinden plaats in een Amsterdams buurttheater, waar op een lange werktafel vijf laptops tussen een warboel aan snoeren staan opgesteld. De ruimte wordt gedomineerd door de enorme projectieschermen aan weerszijden. Ze staan recht tegenover elkaar, zodat het vrijwel onmogelijk is op allebei tegelijk te kijken. Het maakt de voorstelling enerzijds ‘open’, omdat de toeschouwer zijn eigen keuzes moet maken, anderzijds beklemmend, omdat hij volledig wordt ondergedompeld in beeld en geluid.

A.M. heeft een klassieke vertelstructuur, met filmpersonages die sprekend worden opgevoerd, maar voor Noordegraaf is het tevens een zoektocht naar de sfeer van de stad Tokio. „Ik wil dat je meer voelt dan alleen het verhaal van de hoofdpersonen”, zegt hij. „De omgeving speelt een grotere rol, want ik laat er voortdurend meer van zien en horen dan in een gewone film met slechts één scherm zou kunnen.”

De tekst van A.M. is geschreven door de Engelsman Adrian Hornsby, auteur van korte verhalen, toneelteksten en non-fictie, maar vooral ook bekend van de vuistdikke encyclopedie annex atlas voor modern China The Chinese Dream (2008).

Noordegraaf en Hornsby lieten zich voor A.M. inspireren door het werk van de Japanse schrijver Haruki Murakami, bekend van onder meer De opwindvogelkronieken en Kafka op het strand. „Niet door één specifieke roman”, zegt Noordegraaf, „maar door de sfeer van al zijn werk, met die mengeling van herkenbare en exotische dingen, humor en geheimzinnigheid.”

Met het werk van Murakami onder zijn arm vertrok Noordegraaf naar Tokio om vooronderzoek te doen. Een week lang liep hij – net als Yoshi gewapend met een geluidsrecorder – van zonsondergang tot zonsopgang door de verschillende wijken van de stad. „Ik wilde uitvinden hoe de sfeer daar ’s nachts precies is”, zegt Noordegraaf. „Wat voor mensen zijn er op straat? Wat gebeurt er? Hoe ademt de stad gedurende de nacht? Dat heb ik nacht in nacht uit onderzocht. En ’s morgens terug naar mijn hotel, even een ontbijtje eten en slapen.”

De aantrekkingskracht van de Japanse cultuur in het algemeen, en het werk van Murakami in het bijzonder, schuilt voor hem in de gespannen relatie tussen collectief en individu. Het basisgegeven is een bekend cliché, volgens Noordegraaf: de Japanse samenleving kent een hechte sociale structuur, waarin het individu ondergeschikt is aan het collectief, of dat nou de familie is of de collega’s op het werk.

„Wat ik nou juist zo interessant vind aan Murakami”, zegt Noordegraaf, „is dat zijn personages, ook al komen ze uit die dwingende groepsstructuur, toch altijd op zoek zijn naar een vorm van individualiteit. In de westerse samenleving is dat omgekeerd: de meesten van ons zijn juist op zoek naar een vorm van collectiviteit, naar dat sociale dat we verloren zijn. Wij worden als individu geboren en geacht om als zodanig te functioneren. Het is dus een interessante spiegel.”

Nadat Noordegraaf was teruggekeerd uit Japan, schreef Hornsby in onderling overleg de tekst. Als belangrijkste voorbeeld van de invloed van Murakami op het resultaat noemt Noordegraaf de zoektocht van de twee hoofdpersonen. „Kyoko vraagt zich af of ze individu genoeg is om in haar eentje te kunnen functioneren in zo’n stad. Daarom wil zij een nacht alleen rondzwerven. Yoshi doet dat wel vaker, omdat hij die geluiden opneemt. Hij komt er die nacht achter wie hij is, en wat het nou eigenlijk betekent wat hij doet.”

Daarbij komt het Murakami-achtige gevoel van verlorenheid in de stad, en in de tijd van zo’n schijnbaar eindeloze nacht. „Maar ook het werkelijk verloren raken in een fantasiewereld”, zegt Noordegraaf. „Bij Murakami treedt vaak een surrealistisch moment op, en dat gebeurt hier ook, als zangeres en filmpersonages met elkaar in contact komen.”

Er is daarnaast een aantal kleinere, licht absurdistische scènes, bijvoorbeeld als Kyoko een man tegenkomt die op zoek is naar zijn sleutels – niet omdat hij ze kwijt is, maar omdat hij even tijd over heeft, en dan straks niet hoeft te zoeken als hij misschien haast heeft.

Deze zomer ging Noordegraaf terug naar Tokio om in ongeveer drie weken het beeldmateriaal te filmen. Dat was minder vanzelfsprekend dan het lijkt, want je mag er vrijwel nergens in het openbaar filmen. Hij nam daarom zijn toevlucht tot wat ‘guerrilla-style’ filmen wordt genoemd: de filmmaker regelt niets van tevoren, maar gaat gewoon in het wild aan de slag, met het risico te worden weggestuurd, of erger.

„In Japan word je geacht zelf in de gaten te houden dat je andermans privacy niet schendt”, legt hij uit. „Op straat een foto maken waar een passant op voorkomt, is eigenlijk al not done. Als je ergens gaat staan filmen, is er dus een grote kans dat je wordt tegengehouden door een bewaker, of in bepaalde wijken door iemand van de yakuza, de Japanse maffia.”

Om onopvallend te werk te gaan, gebruikten hij en cameraman Rick Stout moderne, digitale spiegelreflexfotocamera’s. Die hebben vaak ook een filmstand, en daarmee is vrijwel de hele film gedraaid, terwijl het leek alsof ze hooguit wat foto’s maakten. Het droeg er ongetwijfeld aan bij dat de toeschouwer zich niet aan een lichtelijk voyeuristisch gevoel kan onttrekken. „Ik zie het zelf als een documentaire-achtige aanpak waarbij ik inderdaad ver ga door niet altijd aan iedereen toestemming te vragen.”

Dat kón ook niet altijd, bijvoorbeeld bij slapende dronkenlappen. „Een typisch onderdeel van het straatbeeld in Tokio”, aldus Noordegraaf. „Nette zakenmensen die een vrijdagavondborrel hebben met de baas. Die kan als enige wél de taxi naar huis betalen, maar zelf missen ze de laatste trein. Ze vallen in slaap bij de ingang van de metro, of halen dat niet eens en liggen gewoon midden op de stoep.”

Terug in Nederland combineerde Noordegraaf de beelden met muziek: de partij van de zangeres, de opgenomen stadsgeluiden, elektronisch vervaardigde klanken en vijf instrumentale partijen. Die worden tijdens de uitvoering niet live gespeeld, maar werden in de studio opgenomen en worden vanuit de laptop in surround sound gereproduceerd, wat met levende musici ondoenlijk zou zijn geweest.

De muziek zorgt in A.M. niet alleen voor sfeer en begeleiding, zegt Noordegraaf, maar is ook echt onderdeel van de handeling: „Ik probeer de muzikant op het podium met het beeld in contact te brengen. Zangeres Mikae wordt steeds meer een personage, zeker als blijkt dat de personages op film haar óók kunnen horen. Yoshi drukt op gegeven moment zelfs zijn oor tegen het glas om naar haar te luisteren.”

A.M. van Arnoud Noordegraaf (muziek, regie) en Adrian Hornsby (libretto). Met Mikae Natsuyama, sopraan. 13/11 en 14/11 November Music, Den Bosch. Inl. novembermusic.net, 22/1 Utrecht, 19/3 Maastricht. Meer info en trailer: inexcelsisvideo.net/am.