Tuig in de rechtsstaat

Sommigen hebben een keurige baan als bouwvakker of bankbediende. Anderen vertoeven in de onderklasse. De eerste groep is meestal wat ouder, de tweede is veelal jonger dan 25 jaar. Liefde voor een voetbalclub is het alibi voor een gedrogeerde levensvervulling: knokken om het knokken.

Waar en waarom? Dat doet er niet meer toe. Een voetbalwedstrijd, een dancefeest, een vechtgala of een spannende betoging voor of tegen een maatschappelijke misstand in een stad of wijk: elke aanleiding is welkom om met elkaar en de politie te vechten, om ‘tuig’ en ‘Bürgerschreck’ te zijn.

Deze groep bestaat volgens schattingen uit tweeduizend mannen van ongeveer 27 jaar. Hun organisatiemodel heeft militaire kenmerken. De ouderen geven de orders voor het vechten, maar doen niet meer zelf mee. De jongsten gehoorzamen om zich te bewijzen in dit ‘ontgroeningsritueel’. En een tussenlaag geeft er operationele leiding aan.

Als het geweld niet zo destructief zou zijn, zouden deze tweeduizend ontspoorde lieden voer voor andragologen en andere manwetenschappers zijn. Maar de schade die ze her en der aanrichten, is niet academisch. Als de hooligans zich melden, moet de politie alle verloven intrekken en begint de samenleving op een soort front te lijken. De overheid is er bovenmatig veel tijd en energie aan kwijt, alsof het om een soort polderterrorisme gaat met zware politieke implicaties.

Trefwoord is steeds dat de overheid meer middelen moet hebben om de hooligans daadkrachtig aan te pakken. Minister Opstelten (Veiligheid en Justitie, VVD) wil nu een volgende stap zetten. Het Rotterdamse model moet in heel Nederland gaan gelden. Dat betekent onder meer dat er een landelijke databank met alle hooligans wordt ingericht. Die kunnen dan permanent en hinderlijk worden gevolgd. Supersnelrecht is het juridische sluitstuk. Er spreekt daadkracht uit.

Maar is de regering ook consequent? Het kabinet wil de overheid met alle kracht inkrimpen. Opstelten verklaarde gisteren zelfs „de oorlog aan de bureaucratie bij de politie”. De regering is het dus aan haar stand verplicht om te melden welke oude databank ze gaat inleveren voor deze nieuwe. Of heeft de regering geen bezwaar tegen een grote overheid mits die bijdraagt aan een ‘surveillancesamenleving’?

Er komt nog iets bij. De wetgever heeft de overheid al veel middelen gegeven om in te grijpen. Burgemeesters kunnen besluiten tot meldplicht, gebiedsverboden en bestuurlijke ophouding. Dat gaat al ver, maar is geoorloofd zolang de overheid ‘maat’ houdt. Opstelten wekt nu de indruk dat hij het begrip ‘proportionaliteit’ nu verder wil oprekken.

Zeker, hooligans moeten worden bestreden. Maar wel conform de grenzen van de rechtsstaat. Elementair blijft dat er onderscheid bestaat tussen de overheid, die de openbare orde handhaaft, en de rechterlijke macht, die misdaad bestraft. Opstelten moet eerst deze pertinente rechtsstatelijke vragen beantwoorden, voordat hij het fiat kan krijgen om tweeduizend hooligans het leven overal zuur te maken.