Terugdraaien kan niet

Sander V. vermoordde in maart zijn buurmeisje. Haar lichaam begroef hij in de tuin.

Gisteren begon de rechtszaak tegen hem. Vandaag formuleert het OM de strafeis.

Sander V. is bijna twee meter lang, breed en kalend. Hij spreekt beleefd tegen de rechtbankvoorzitter. Hij zegt: „Ja mevrouw. Nee mevrouw. U hebt helemaal gelijk mevrouw.” Hij toont ook berouw. Huilend: „Er is geen moment van de dag dat ik het niet terug zou willen draaien.”

Gisteren begon in Dordrecht de rechtzaak tegen de 27-jarige politieman Sander V. Hij staat terecht voor de moord op zijn twaalfjarige buurmeisje, Milly Boele. Ze verdween op 10 maart dit jaar. Een week na haar verdwijning gaf hij zich aan. Haar lichaam was begraven in zijn tuin. Volgens het Openbaar Ministerie zijn in haar mond minuscule spermaresten van V. aangetroffen. Het OM klaagt V. ook aan voor seksueel misbruik, vrijheidsberoving en het verbergen van een lichaam.

V. heeft sinds zijn aanhouding aan alle onderzoeken meegewerkt, zei hij, „om te kunnen begrijpen wat er is gebeurd”. Hij bekende gisteren Milly met zijn broekriem te hebben gewurgd. „Ik ben degene die haar van het leven heeft beroofd.”

V. kon zich veel niet herinneren van de dag dat Milly verdween. Ook niet van zaken waarover hij na zijn aanhouding nog gedetailleerd had verklaard. Bij een verhoor vertelde hij dat hij Milly’s handen had vastgebonden met tiewraps die hij uit de meterkast in de gang pakte, toen Milly binnen was gekomen. Gisteren zei hij: „Er schijnt iets gebeurd te zijn met tiewraps.” Maar als de rechtbankvoorzitter hem vraagt of hij Milly’s handen aan de voor- of achterkant had vastgebonden zegt hij: „De achterkant, denk ik.”

Eén van de gedragsdeskundigen die V. onderzocht, concludeerde dat hij een „kwetsbare en krenkbare” man is die verslaafd is aan cannabis. V. heeft volgens diverse rapportages over hem een lichte persoonlijkheidsstoornis „met narcistische en afhankelijke trekken”. Het misdrijf kan hem maar beperkt toegerekend worden. Eerder had de rechtbankvoorzitter geconcludeerd dat Sander V. in de aanloop naar de moord steeds meer in een isolement leek te raken, ook al woonde hij samen met zijn vriendin. Hij zou hebben gevreesd dat de relatie afliep.

Over zijn werk bij de politie zei Sander dat hij er „nooit gelukkig” was geweest. Er zou een machocultuur heersen waar hij niet in paste. De ochtend van 10 maart had hij zich afgemeld bij zijn korps. Omdat hij zich volgens zijn leidinggevenden te vaak ziek had gemeld, nam hij een verlofdag. Hij voelde zich die dag onrustig, opgejaagd en gespannen. „Alsof er elk moment iets kon gebeuren.” Hij kocht „twee of drie zakjes softdrugs” en rookte, verspreid over de hele dag, ongeveer twaalf joints. En toen hoorde hij zijn buurmeisje thuis komen op de fiets. Hij kende haar naam niet. Toen hij haar zag, kreeg hij een gedachte, zei hij in een eerder verhoor. „Hoe zou het voelen als je iemand meelokt?” Nu weet hij niet meer of hij dat heeft gedacht.

Hij denkt dat hij naar Milly’s huis liep en aanbelde. V. zou gevraagd hebben of ze een kat miste. Die zou bij hem thuis zitten. Het meisje ging mee. Bij hem thuis bond hij haar polsen vast en betastte haar borsten. Daarna bracht hij haar om het leven. Volgens V. ging het allemaal heel snel. Een half uur nadat hij haar meenam, zou hij haar al in de badkamer hebben gedood. In zijn jaszak werd haar gsm gevonden, in een plastic zakje met water. Hij was bang dat ze gebeld zou worden, verklaarde V.

De vader van Milly sprak gisteren tijdens de zitting. Hij vertelde dat hij en zijn vrouw tot het laatste moment hoop hadden gehouden. Pas in het mortuarium beseften ze dat ze hun dochter kwijt waren. Het gezin voelt geen woede, zei hij. „Zo’n grote rol mag hij niet in ons leven spelen.” Vandaag formuleert het OM de eis. Daarna krijgt de verdediging het woord.