Spelen met een glasscherf

Il conformista 1970 Bernardo Bertolucci Jean-Louis Trintignant Stefania Sandrelli Photo12

Huub Beurskens: Mathieu. Meulenhoff, 61 blz., € 18,95

Huub Beurskens: Maar waar is het drama? Meulenhoff, 287 blz. € 24,95

Mathieu heet de nieuwe dichtbundel van Huub Beurskens. Het is niet echt een bundel, want één lang verhalend gedicht van 1191 regels, verdeeld in 397 terzinen. ‘Natuurlijk ben ik een figuur om voor altijd / te verdwijnen,’ opent het; ‘net als mijn overbuur met/ zijn overgordijnen in de woning die hij huurde.’ Die overbuurman blijkt overleden. De trap was te smal voor de brancard, dus moest er een rode ladderwagen komen.

Op de eerste bladzij denk je dat hier een buurtgeschiedenis verteld gaat worden, maar al op de tweede pagina blijkt dit een illusie. Via aards verwoorde, maar toch uiterst kosmische bespiegelingen leidt Beurskens ons naar het Driekoningenfeest van zijn kinderjaren. En dan volgt een caleidoscopische gang langs leven en kunst. ‘Waartoe zijn wij op aarde?’ luidt het motto van Mathieu, en op de slotpagina van dit epos klinkt de echo van die vraag uit de Schoolkatechismus. ‘Waartoe zijn wij van waarde.’

Laat het weer anekdote worden, geen les meer, een strand bij

eb, een kuiltje, een kleuter die er de zee in schept en schept

en ‘Wat huil je?’ vraagt aan een man die er stil bij staat.

Of iets als dit: een binnenplaats met gras, waar

een stil kind met een glasscherf in de zon te spelen

zit, zonder zich af te hoeven vragen hoe het erve is

Zoals René Huigen dat vijf jaar geleden in het vergelijkbare epos Steven! deed, lardeert Huub Beurskens Mathieu met culturele verwijzingen. Beide gedichten zijn ook bespiegelend, maar Beurskens minder schools, en luchtiger. En zoals bij een heuse caleidoscoop is het beeld bij Beurskens verstrooiend, want nooit hetzelfde.

Op het omslag van Mathieu staat een steel van aluminium. Wie Beurskens’ tegelijkertijd verschenen essaybundel Maar waar is het drama? naast de dichtbundel legt, ziet de illustratie doorlopen. De steel is die van een vergrootglas. Die beeldkoppeling op beide omslagen kan emblematisch worden opgevat. In zijn essays neemt Beurskens de hem vertrouwde thema’s onder de loep. Dus ook de passages en beelden die opduiken in Mathieu: de variatie op de eerste regels van The Love Song of J. Alfred Prufrock van T.S. Eliot, de zinspelingen op ‘Schlechte Zeit für Lyrik’ van Bertolt Brecht, Rembrandts tocht naar het lijk van Elsje Christiaens in Amsterdam en ook de ‘nazikeur’ die voor een foto in kleur de resten van Mykenes burcht beklom.

In Maar waar is het drama? toont Beurskens zich essayist op zijn best. Hij doet als dichter en romanschrijver, als schilder en tekenaar maar ook als docent culturele vorming op een school voor havo en vwo. Zo veelzijdig als zijn eigen kunstbeoefening en -onderwijs is, zo veelkantig is zijn blikveld. Literatuur, kunst en het leven zijn daarin onlosmakelijk verbonden. Zijn beschouwingen zijn letterlijk een resultaat van beschouwen, van kijken dus. Niet de culturele traditie en de daarbij horende opvattingen geven richting aan zijn stukken, maar het (en de) ogenblik. Beurskens deinst er niet voor terug ‘deze of gene mandarijn tegen de haren in te strijken’, stelt zijn uitgever op het achterplat van de bundel. Dat klopt, maar dat is niet waar hij als essayist op uit is. De constante in Maar waar is het drama? is dat Beurskens bovenal steeds vraagtekens zet bij de clichés van kunstbeschouwing en literatuuropvatting.

Dat leidt tot nieuwe waardebepalingen, zoals in ‘De Nachtwacht voor een vlieg’. Beurskens vertelt daarin hoe hij zijn leerlingen naar kunst leert kijken en tot schrijven brengt. De lessen leiden tot lange chatsessies en een uitvoerige e-mailuitwisseling met Rebecca, een oud-leerlinge. Kort nadat ze in Beurskens’ lessen de film Il conformista van Bertolucci heeft gezien, komt ze in Parijs en belandt na een metrorit in het decor van die film. ‘En daar komt dit meisje uit de Parijse ondergrondse boven’, schrijft Beurskens, ‘en staat volkomen onverwacht midden in uitgerekend die film! En tegelijkertijd midden in de wereld! Dat is zo’n moment van genade, van „duur” dat telt, waar het om gaat, waar alles op zijn plaats lijkt te vallen en fictie de werkelijkheid die ze altijd al is geweest ook daadwerkelijk blijkt te zijn, waar kunst bovengronds komt.’

Dit is maar één demonstratie van het verschuivende blikveld dat Beurskens de lezers van zijn essays gunt. Slechts een enkele keer ontspoort zijn bevlogen koppeling van leven en reflectie. Dat gebeurt bijvoorbeeld als hij in gesprek is met Leo Vroman en diens vrouw en terloops noteert: ‘Terwijl de kamermeisjes zijn binnengekomen en bezig zijn met hun werk, praten we onder meer over de tijd in abstracte en historische betekenis, over de bedenkelijke kanten van het vooruitgangsdenken…’ Maar zo’n hilarisch stemmende passage is uitzonderlijk. Maar waar is het drama? is een ontdekkingsreis die noopt tot herlezing van Beurskens’ eerdere essaybundels, en tot herwaardering van zijn positie als literair essayist.