Richtingen

Ik probeer in de trein te werken aan een verhaal, over een vrouw zonder richtingsgevoel. Naast mij is een jongeman komen zitten. Ik vind het moeilijk om woorden op papier te krijgen terwijl er iemand vlak naast me zit. Meestal kunnen medepassagiers het niet laten om in mijn schrift te gluren. Het idee alleen al dat ze kunnen meelezen met wat ik schrijf is genoeg om me uit mijn concentratie te halen.

Om te schrijven moet ik volledig vanuit mezelf kunnen denken. Als met een helm op mijn hoofd waarvan de klep stevig dichtzit. Pas dan kan ik anderen in mijn hoofd toelaten, gedetailleerde vergezichten voor me zien waarin mijn personages zich kunnen bewegen.

Ik laat de vrouw, voor wie ik nog een naam moet verzinnen, een lege trein uit stappen. Ze herkent het station niet. Ze staat alleen op het perron en heeft het idee dat haar gedachten anders van toon zijn, nu ze geen idee heeft in welke omgeving ze is beland.

„Hoeveel woorden moet je lezen om er honderd te kunnen schrijven?” vraagt de jongeman naast me.

Ik zet de denkhelm steviger op mijn hoofd en doe alsof ik hem niet heb gehoord.

„Is de input gelijk aan de output?”

Ik denk na over zijn vraag.

„Daar zou je wel eens gelijk in kunnen hebben”, zeg ik.

Hij knikt en opent De man zonder eigenschappen.

Het is lang geleden dat ik het vuistdikke meesterwerk van Musil las. Nu doe ik wat ik zelf zo verafschuw, wanneer anderen het bij mij doen: ik lees mee.

Er moet dus aan de naam van de stad geen bijzondere waarde worden toegekend. Zoals alle grote steden bestond ze uit onregelmatigheid, afwisseling, voortglijden, niet in de pas blijven, het botsen van dingen en zaken, bodemloze punten van stilte daartussen, uit gebaande en ongebaande wegen, uit één grote ritmische slag en uit de eeuwige ontstemdheid en het verschuiven van alle ritmes tegen elkaar in – ik herinner me deze regels niet. Nu kan ik niet meer ophouden met meelezen, al draait de jongen zich van me af en legt hij het zware boek zo ver mogelijk bij me vandaan.

en alles bijeen leek het wel een kokend hete bel die in een ketel zit die uit de duurzame materie van huizen, wetten, verordeningen en historische tradities bestaat.

De twee mensen die daarin door een brede drukke straat liepen hadden deze indruk natuurlijk volstrekt niet.

Geïrriteerd klapt de jongen het boek dicht. Ik moet de behoefte onderdrukken het boek uit zijn handen te rukken.

De trein is tot stilstand gekomen. Ik heb geen idee welk station we hebben bereikt. De lezende jongeman is ergens anders gaan zitten. Er is niemand aan wie ik het kan vragen.

Ik stap uit op een vrijwel verlaten perron. In welke uithoek ben ik beland?

„Eva!” roept een vrouw. In haar stem klinkt een mengeling van ongeloof en enthousiasme. Ik kijk om. Ik wil weten wie de vrouw is die zoveel voor iemand lijkt te betekenen.

De vrouw komt met open armen op me af. Ze straalt.

Ik zie dat ik, als in een trein, een ander leven in kan stappen.

De trein trekt op.

De vrouw op het perron glijdt weg, als een herinnering.