Onophoudelijk schieten en op helikopters klimmen

Game

Call of Duty: Black Ops

Activision. PS3, Xbox 360, PC, Wii, DS**

In de jaren zestig had Amerika heel veel vijanden. Fidel Castro, de Vietcong, Rusland. Een mooi decennium om eens goed huis te houden voor een Amerikaanse soldaat, moeten de makers van oorlogsspel Call of Duty: Black Ops hebben gedacht.

Het aantal delen van de Call of Duty-reeks is inmiddels niet meer bij te houden. De vernieuwing is er al een tijdje af, al lijkt dat de verkoop niet te deren. Het vorige deel, Call of Duty Modern Warfare 2, bracht op de eerste verkoopdag een recordbedrag van 400 miljoen dollar op.

Van Black Ops wordt minder verwacht. Uitgever Activision maakte onlangs bekend dat zij denken van Black Ops 20 procent minder te verkopen dan van Modern Warfare 2.

De voorzichtigheid van Activision is begrijpelijk. Voor écht goede verkoopcijfers van een shooter is ophef (liefst onder politici) nodig. Zo leidde een level in Modern Warfare 2 tot wereldwijde verontwaardiging, omdat spelers burgers op een vliegveld konden doodschieten. De ophef rond Black Ops beperkt zich tot een boze reactie van Cuba op het level waarin de speler Fidel Castro moet vermoorden: „Amerika probeert virtueel voor elkaar te krijgen, waar het vijftig jaar lang niet in geslaagd is.” En er was discussie over een reclamefilmpje, waarbij kinderen om zich heen schieten met echte geweren. Dit onder het mom: there’s a soldier in all of us.

Ook het spel zelf doet onder voor zijn voorganger. Grafisch is het geen vooruitgang, en alle spanning is uit de game verdwenen. Het is onophoudelijk rennen, schieten en klimmen van auto naar helikopter. Voor je het weet heb je het spel uitgespeeld en voel je je als na het eten van een Big Mac: vol spijt en smerig.

Stijn Bronzwaer