Ongenadig én lijdzaam

Als burgemeester en workaholic zwaaide Bram Peper de scepter over Rotterdam. Eenmaal minister viel hij over de ‘bonnetjesaffaire’. Hoe kreeg Peper toch zoveel vijanden? En wie waren dat?

Henk van Osch: Bram Peper. Man van contrasten. Boom, 493 blz. €24,90

Zelfspot is hem niet vreemd. „Niet vergeten een bonnetje te vragen, want die kan je declareren.” Dat was twee jaar geleden, na afloop van een vraaggesprek in een café-restaurant in de Rotterdamse Veerhaven vlak voor zijn rehabilitatie op het stadhuis aan de Coolsingel. De aanwezigen grinnikten vrolijk mee met de oud-burgemeester. Humor heeft Bram Peper altijd gehad. Zelfs zijn grootste vijanden erkennen dat.

En vijanden maakte de rancuneuze en recalcitrante straatvechter bij de vleet. Zeker in Rotterdam, de stad waar hij zestien jaar (1982-1998) met straffe hand regeerde. Want de workaholic Peper, bijgenaamd Bram Ongeduld, had altijd haast. Het ingedutte Rotterdam, getekend door het bombardement van mei 1940, moest en zou mee in de vaart der volkeren. Wie hem niet kon of wie hem niet wilde bijbenen, werd simpelweg platgewalst. ‘Zoals hij deed met anderen die van minder intellectueel niveau waren’, noteert Henk van Osch in zijn onlangs verschenen biografie Bram Peper: Man van Contrasten.

Kort na zijn vertrek uit de havenstad volgde de afrekening. De PvdA’er zou zich als burgemeester hebben verrijkt met gemeenschapsgeld en op kosten van de belastingbetaler reizen hebben ondernomen en cadeaus hebben aangeschaft. De bonnetjesaffaire, gretig omarmd én aangejaagd door sommige media, was geboren.

Van Osch besteedt – terecht – veel aandacht aan het lang slepende onderzoek naar het declaratiegedrag van de ‘Zonnekoning aan de Maas’. Nooit eerder in de Nederlandse geschiedenis werd een vooraanstaand bestuurder publiekelijk immers zo uitgekleed als Peper. De aanhoudende stroom van geruchten en verdachtmakingen over de vermeende graaicultuur dwongen hem in 2000 zijn post als minister van Binnenlandse Zaken op te geven in het tweede kabinet Kok.

Van Osch, een voormalig huisarts uit Den Dungen, verdient alleen al een pluim voor het uitputtende spitwerk dat hij heeft verricht. Peper (70) stelde hem zijn gehele en ongecensureerde privéarchief ter beschikking, maar pas nadat hij goedkeurend kennis had genomen van diens eerste boek: een doorwrochte biografie over oud-premier Dirk Jan de Geer (1870- 1960). Van Osch moest drie keer met een volle kofferbak op en neer rijden voordat hij de buit (‘een goudmijn’) had veiliggesteld.

Met medische precisie ontleedt Van Osch (78) zijn hoofdpersoon: een erudiete maar vaak wat knorrige wetenschapper, wiens intellectuele vermogens zijn sociale vaardigheden ruimschoots overtreffen. Aan domoren en treuzelaars heeft Peper, zoon van een fietsenmaker die opgroeide in een Haarlemse arbeiderswijk, een bloedhekel. Daarnaast zet Van Osch zijn tanden in de affaire die de excommunicatie van Peper inluidde. Behalve zijn baan verloor hij het vertrouwen van zijn PvdA-partijgenoten, die hem gaandeweg aan zijn lot overlieten.

Bovendien zag hij onder druk van alle publicitaire ophef ook zijn derde huwelijk voortijdig stranden, ditmaal met de latere Eurocommissaris Neelie Kroes, zoals Van Osch onthult. ‘Ze dreigde [...] mee gesleurd te worden door een loser. Hij had geen toekomst meer. Hij was een risicofactor geworden [...]’. Het werd stil rondom Peper, akelig stil zelfs. Al bood het beroepsverbod hem wel de ruimte de verstoorde verhoudingen met twee van zijn kinderen uit een eerder huwelijk te herstellen en zich op te werpen als een innemende grootvader.

Van Osch weet enkele open vragen over de bonnetjeszaak redelijk overtuigend te beantwoorden, mede op basis van inzage in geheime kabinetsnotulen. Zo was het volgens hem toenmalig minister Benk Korthals (Justitie, VVD) die achter de schermen aandrong op strafrechtelijke vervolging, vlak nadat het onderzoek in Rotterdam was afgerond. Met als gevolg dat Peper officieel het stempel ‘verdachte’ kreeg opgeplakt, wat zijn toch al ondermijnde geloofwaardigheid niet ten goede kwam.

Onder leiding van hoofdofficier Jan-Willem Wabeke haalden twaalf experts zijn handel en wandel nogmaals overhoop. Om na afronding van het onderzoek (kosten 2,5 miljoen gulden) uiteindelijk te constateren dat de gevallen ‘Rijnmondvorst’ juridisch niets te verwijten viel. De zaak werd geseponeerd. Peper maakte uiteindelijk een bedrag van welgeteld 7.490 gulden en 80 cent over op de rekening van de gemeente; een optelsom van de bedragen die hij niet kon verantwoorden.

Wrok was de voornaamste drijfveer van Pepers belagers in ‘Roddeldam’, concludeert Van Osch. Als zich al onrechtmatigheden hadden voorgedaan, dan hadden deze betrekking op het voor Peper desastreus verlopen jaar 1990. Het feest ter gelegenheid van het 650-jarige bestaan van Rotterdam was ontaard in een fiasco. Ceremoniemeester Peper rekende zich dat persoonlijk aan. In hetzelfde rampjaar 1990 liep zijn tweede huwelijk op de klippen. Peper raakte aan de drank en was het zicht op de werkelijkheid grotendeels kwijt. Bonnetjes bewaren was wel het laatste waar de ‘notoire sloddervos’ toen aan dacht.

De verontwaardiging over ‘het onrecht’ dat Peper is aangedaan, krijgt gaandeweg het boek de overhand bij de auteur, waardoor Van Osch langzaam maar zeker uit zijn rol valt van de objectieve waarnemer. Met name de leden van de Rotterdamse onderzoekscommissie krijgen er van langs, en niet alleen tussen de regels door. Zo zet Van Osch de SP’er Theo Cornelissen neer als een wraakzuchtig raadslid, wiens oordeel vooraf al vast stond. Dat is jammer en was niet nodig geweest; de door hem gepresenteerde en gerangschikte feiten spreken voor zich.

De bonnetjesaffaire hangt als een grauwsluier over de loopbaan van Peper. In het boek is dat niet anders, ook al doet Van Osch in de voorafgaande hoofdstukken zijn best om de verdiensten van de ‘conceptuele denker’ en socioloog annex stedenbouwer te benoemen. Zo bepaalde Peper als tweede vicevoorzitter en als lid van verschillende informele denktanks grotendeels de koers van de PvdA vanaf de jaren zeventig. Beroemd is de geruchtmakende lezing We laten niemand los (1995), die hij voor oud-premier Wim Kok schreef en handelde over het afschudden van de ideologische veren.

Wat verder blijft hangen, is het beeld van een man met twee gezichten. Zo hard en ongenadig als Peper bijvoorbeeld tegenover zijn ambtenaren kon zijn, zo lijdzaam stelde hij zich op tegenover zijn bazige echtgenotes. Achter het gepantserde masker ging een onzeker mens schuil, constateert Van Osch.

Pepers lijfspreuk (‘Haast je als je tijd hebt, dan heb je tijd als je haast hebt’) noemt de biograaf veelzeggend. Haast heeft Bram Peper tegenwoordig niet meer, tijd wel. Dat is zijn tragiek.