Mensenwerk voert naar catastrofe

Gisteren werd het einde van de Eerste Wereldoorlog herdacht. Volgens Koen Koch speelde toeval een grote rol bij het begin van de eerste totale oorlog.

Koen Koch: Een kleine geschiedenis van de Grote Oorlog 1914-1918. Ambo/Manteau, 472 blz. € 24,95

Net als veel andere ‘kleine geschiedenissen’ is Een kleine geschiedenis van de Grote Oorlog 1914-1918 helemaal niet zo klein. Met bijna 500 bladzijden, inclusief noten, kaarten en een bibliografie, is het een kloek boek. Het onderwerp, de Eerste Wereldoorlog, is dan ook zo groot en gruwelijk dat het zich moeilijk in minder bladzijden laat vertellen.

Politicoloog Koch is, onder meer, een Eerste-Wereldoorlogspecialist die reizen naar de slagvelden leidt. Eerder publiceerde hij al studies over de bekende veldslagen uit WO I, zoals De Derde Slag bij Ieper 1917 en De slag van de Somme 1916. In zijn nieuwe boek vat hij al zijn kennis samen. Hierbij is hij niet in de valkuil van ‘kleine geschiedenissen’ gevallen: zijn boek is meer dan een opsomming van de kleine en grote slagen van de eerste totale oorlog die meer dan 9 miljoen soldaten het leven kostte. De onvermijdelijke beschrijvingen van de oorlogshandelingen en de bijbehorende vermeldingen van ongelooflijke aantallen slachtoffers wisselt Koch op een meesterlijke manier af met beschouwingen over militaire beslissingen, politieke verwikkelingen achter de fronten en ooggetuigenverslagen van bijvoorbeeld de Duitse filosoof Ernst Jünger. Ook heeft hij een goed oog voor details. Zo schrijft hij terloops dat de Duitse expressionistische schilder Franz Marc als soldaat camouflagedoeken schilderde.

Kochs Kleine geschiedenis van de Grote Oorlog wordt gestuurd door zijn opvattingen over wat Duitsers de Kriegsschuldfrage van de Urkatastrophe noemen. Die doet Koch na negentig bladzijden uit de doeken bij de behandeling van de vier ‘structurele oorzaken’ die historici in de loop van de twintigste eeuw voor de Eerste Wereldoorlog naar voren hebben gebracht: het bestaan van bondgenootschappen; het militarisme en de bewapeningswedloop; het nationalisme en het imperialisme. Natuurlijk hebben ze hebben allemaal, in meer of mindere mate, een rol gespeeld bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, erkent Koch. Maar geen van de oorzaken, zelfs niet alle vier tezamen, maakte de Eerste Wereldoorlog onvermijdelijk. Over het imperialisme bijvoorbeeld, dat door marxisten als Lenin altijd is aangewezen als een verschijnsel dat wel tot een oorlog tussen de grootmachten moest leiden, merkt hij op dat de conflicten tussen Groot-Brittannië, Frankrijk en Rusland allang voor 1914 opgelost waren. En over het nationalisme schrijft hij: ‘Zeker, er waren nationalisten, maar die vormden eerder een probleem voor de gevestigde regeringen dan dat zij de hoofdoorzaak van de Eerste Wereldoorlog vormden.’

Aan de andere kant verwerpt Koch ook de verklaring van verschillende politici dat ze de oorlog waren ‘ingestruikeld’. Dat is te vergoelijkend. ‘Waar het in 1914 op aankwam, waren de beslissingen van de betrokken staatslieden.’ En voor al hun genomen besluiten bestonden alternatieven. Maar daarvoor kozen ze niet voor ‘op grond van een dubieus mengsel van politieke en persoonlijke motieven’.

Oorlog is, kortom, mensenwerk. Steeds laat Koch zien dat bij de beslissingen van de legerbevelhebbers niet alleen militaire overwegingen een rol speelden, maar ook eerzucht, wedijver, jaloezie, domheid en allerlei andere menselijke eigenschappen en tekortkomingen. Over de Duitse generaal Ludendorff vertelt hij bijvoorbeeld dat deze wegens zijn beperkte intelligentie niet in staat was tot het nemen van strategische beslissingen en niet verder kwam dan tactiek. Hierdoor wist hij niet wat het Duitse leger moest doen als het een doorbraak had geforceerd in de geallieerde linies. Ludendorff had ook zwakke zenuwen. Herhaaldelijk kreeg hij zenuwinzinkingen als het er erg om spande en was hij niet in staat tot het nemen van welke beslissing dan ook.

Bij mensenwerk hoort toeval. Ook hiervoor ruimt Koch een belangrijke plaats in zijn boek in. Dat begint al met de aanleiding voor de Eerste Wereldoorlog, de moord op de Oostenrijkse kroonprins Franz Ferdinand in Sarajevo door de Servische nationalist Gavrilo Princip. Eigenlijk was de bomaanslag mislukt, schrijft Koch in een slapstickachtige beschrijving van de moord. Liefst zes Servische samenzweerders stonden klaar met bommen en pistolen langs de route die Franz Ferdinand en zijn vrouw Sophie tijdens hun bezoek aan Sarajevo zouden afleggen. Maar de eerste gooide zijn bom niet toen hij merkte dat er een agent achter hem stond, de tweede kreeg medelijden met Sophie, de derde was te bijziend om te bepalen in welke auto Franz Ferdinand nu precies zat en de vierde gooide zijn bom te vroeg. Daarop scheurde de auto met Franz Ferdinand en Sophie weg naar een veilige bestemming, het stadhuis. Daar namen Franz Ferdinand en zijn gezelschap na enige tijd het besluit om in het ziekenhuis een bezoek af te leggen aan de twee officieren die bij de aanslag gewond waren geraakt. Intussen had Princip zijn teleurstelling over de mislukking weggedronken in de delicatessenzaak Moritz Schiller. Toen hij de zaak verliet, zag hij de auto van Franz Ferdinand de hoek om draaien.