Medicijn- kastjes

Tot 11 december zijn ze te zien, de Medicijnkastjes van Damien Hirst, in de L&M Arts galerie, aan de 78ste straat, nummer 45 in New York, vlakbij het Whitney Museum. Aan Hirst kan ik geen weerstand bieden, en bovendien scheen de zon. Zo’n tochtje met de bus viel ook niet te versmaden. L&M Arts heeft iets geheimzinnigs. Je moet aanbellen. Een oppasser doet de deur open, je gaat een trapje op en dan sta je in de eerste schatkamer. De titel van deze expositie belooft niets te veel. Daar hingen ze aan drie muren, flinke kastjes, allemaal propvol met medicijnen, en op de volgende verdieping nog een verzameling. Ik stond paf. Maar toch kwam dit geheel me bekend voor en dat kwam niet doordat ik dezelfde ochtend al in zo’n overweldigende Amerikaanse superapotheek was geweest.

Al eerder had ik dergelijk werk van Hirst gezien, een jaar of drie geleden, ook in New York. Toen waren de geneesmiddelen onderdeel van een veel omvangrijker expositie. Het pièce de résistance bestond daar uit dertig schapen zonder kop, een dode haai, driehonderd worstjes en de twee dode duiven. De schapen hingen in glazen containers op sterk water aan een infuus. In een paar open laatjes kon je nog een kleine collectie bloederige scharen en messen bezichtigen. En op een minder dominante plaats stonden of hingen de witte kastjes propvol doosjes en flesjes met pillen, zalfjes en drankjes. Hier, in de L&M Arts, had de geneesmiddelenindustrie zich in het werk van Hirst verzelfstandigd, dacht ik. Maar ik had me vergist.

Hirst zou Hirst niet zijn, als hij zijn werk niet liet vergezellen door een tekst die tot nadenken stemt. Zijn dode haai (een enorm beest) heeft als toelichting: The Physical Impossibility of Death in the Mind of Someone Living. De beroemde platina mannenschedel, ingelegd met 8.601 diamanten, die ook in het Rijksmuseum te bezichtigen is geweest: For the Love of God. En ook deze medicijnkastjes vallen niet te begrijpen zonder de toelichting van de kunstenaar: I can’t understand why most people believe in medicine and don’t believe in art, without questioning either. Een antwoord zou kunnen zijn dat de overheid alle medicijnen grondig onderzoekt voor ze op de markt komen, en dat we in die overheid geloven, terwijl iedere kunstenaar vrij is om te doen wat hij wil. Kwakzalvers bestaan niet in de kunst. Maar laten we ook deze proeve van Hirsts denken ongemoeid. Die teksten horen erbij.

De belangstelling van de kunstenaar voor medicijnkastjes heeft een nog langere voorgeschiedenis dan ik dacht. Bij zijn eerste tentoonstelling, in 1988, heeft hij al verpakte medicijnen van zijn grootmoeder gebruikt. En een van zijn exegeten, Arthur Danto, schrijft in een essay: ‘Deze medicijnkastjes vormen bij elkaar een fonkelende verzameling van stillevens die uitdrukking geven aan het menselijk lichaam als een gebied vol kwetsbaarheden en veelbelovende geneeskundige ingrepen. Het lichaam als een instantie die de eigenaar vertelt hoe het met hem gaat, is verdrongen. Het is nu aan de kunstenaar, er een stem aan te geven.’ Er zit iets in. Maar wat?

Hoe meer ik van zijn werk heb gezien, des te sterker ik tot de overtuiging ben gekomen dat hij uniek is in het wekken van een necrofiele sensatie. En wat we verder ook van hem kunnen vinden, daarmee heeft hij een gat in de markt ontdekt. Op die manier is hij een puur eigentijdse kunstenaar.