In een gedicht ben ik het meest thuis

Deze maand verschijnt ‘Fantastisch’, een bundeling van de columns die Maria Barnas schreef in deze krant. Barnas is dichter en beeldend kunstenaar. „Ik ben een schrijver die zich verhoudt tot beeldende kunst. Dat is een kunstvorm op zich.”

Maria Barnas kan niet zonder geschreven woorden. Ze moet iedere dag haar gedachten op papier zetten, anders wordt het een kermis in haar hoofd. Soms schrijft ze zo veel, dat ze vreest meer te schrijven dan ze ooit kan meemaken.

Ook in haar beeldende kunst gebruikt ze woorden. Neem La Pluie, dat ze maakte voor de Noord-Holland Biënnale en dat vorige maand te zien was in de Grote Kerk van Schermerhorn. Wat je ziet, is een film van 1 minuut, met zwart-wit beelden van een man achter een tafel, een inktpot, een schrijvende hand, de man druipnat, letters die uitgewist worden. Maar dat is niet het hele verhaal. „Bij mij moet je altijd iets lezen voor je gaat kijken’’, zegt Barnas.

Op een A4-tje bij de pruttelende filmprojector lees je dat La Pluie is gebaseerd op een film van de Vlaamse kunstenaar Marcel Broodthaers uit 1969. Broodthaers’ film is zelden te zien – zijn weduwe beslist wanneer en waar. Uit frustratie maakte Barnas daarom haar eigen film, met stills uit het origineel, die ze vond in boeken en op internet. Deze werkwijze refereert aan die van Broodthaers, die ooit een film maakte uit details van één schilderij. „Die informatie is onderdeel van het werk’’, zegt Barnas. „Maar er is wel discussie over geweest. Eerst was er geen tekst en ik voelde me dubbel bezwaard – tegenover de bezoekers, die mijn werk niet goed konden begrijpen. Maar ook omdat ik me realiseerde dat het misschien een tekortkoming is dat mijn beeldende kunst altijd tekst nodig heeft. Niet iedereen is een lezer, dus voor sommigen zal mijn werk hermetisch blijven.’’

In veel van haar beeldende werk reflecteert Barnas op kunst. De film Het Wibauthuis zoekt antwoord op de vraag hoe een gebouw dat begin jaren zestig nog werd gezien als architectonisch wonder, in 2007 werd afgebroken als een van de lelijkste gebouwen van Nederland. Haar project De Lezing, dat in december te zien zal zijn in Klemm’s Gallery in Berlijn, gaat over de vraag ‘wie was meubelontwerper Cees Braakman?’ Onder leiding van Braakman maakte meubelfabrikant Pastoe – een merk dat nog altijd staat voor moderniteit en minimalisme – na de oorlog naam. Toch is er bijna niets over de man bekend. Barnas wil een actrice inzetten om de voorbereidingen van een lezing over Braakman te tonen. Elke dag zal er iets in de galerie veranderen. Ze heeft, zegt ze, nu eenmaal een zwak voor kunstwerken die geen vaste vorm hebben. „Ik heb beelden nodig die in beweging blijven, in de vorm maar vooral ook in de inhoud zodat je er steeds opnieuw vragen bij kunt stellen.’’

Reflectie op kunst is ook de rode draad in de 150 columns die Barnas de afgelopen drie jaar schreef in deze krant. Ze gaan over alledaagse onderwerpen als het verlangen naar een compacte keukenmachine met zuigvoetjes of het bezoek aan een verlegen tandarts. Maar daarachter schuilen de thema’s ‘wat is kunst’ en ‘wat kan kunst teweeg brengen’. Op de vraag of ze is opgeschoten in die zoektocht, antwoordt Barnas lachend ‘nee!’ „Kunst heeft net zo veel vormen als er mensen zijn. De zoektocht is zinloos. Maar hopelijk levert de manier waarop ik het doe iets op. Je kunt een spanning zichtbaar maken, of het bizarre, het ongelooflijke.’’

Het is in de kunst niet mogelijk iets werkelijk nieuws te verzinnen, schrijft u. Is dat erg?

„Dat vind ik niet. Je kunt alles herleiden tot iets dat er al was. In sciencefiction krijgen de helden de naam van Griekse goden. Bij kunst zie je helemaal dat alles voortborduurt. Het ligt er maar net aan hoe goed iemand dat doet.’’

U bekijkt en leest veel werk van anderen. Bent u wel eens jaloers?

„Nee. Ik geloof altijd dat ik het anders zou aanpakken, zelfs als ik iets heel goed vind. Omdat je vanuit een ander lichaam en een ander brein functioneert.’’

Wat is belangrijker: de kunst of hoe mensen ermee omgaan?

„Zelf ben ik meer gaan neigen naar het laatste. Ik weet dat het voor veel kunstenaars anders is. Maar ik vind het interessant hoe een kunstwerk of een gebouw in de loop van de tijd iets anders kan gaan betekenen, zoals het Wibauthuis – vroeger heel belangrijk en nu bijna vergeten. Dat is schokkend én bevrijdend. Kunst is niet alleen zichzelf, het is ook hoe we ermee omgaan en dat verandert onophoudelijk.’’

U schrijft over het Syndroom van Stendhal: gek worden van schoonheid. ‘Ik zou willen dat iemand hartklopping kreeg van wat ik maak, dat er iemand flauwviel.’

„Ik schreef dat vooral omdat ik het niet geloof. In het beste geval opent een kunstwerk een luikje in mijn hoofd, het veroorzaakt een inzicht of een tijdelijke denkruimte. Maar ik zou wel willen dat mijn werk zo’n lichamelijke, heftige reactie zou kunnen oproepen.’’

Zoiets is toch gebeurd? Er was ophef over uw gedicht op de muren van een psychiatrische instelling. Van de zin ‘Een vrouw rent uit mijn hoofd’ zouden mensen psychotisch kunnen worden.

„Dat was niet fijn. De patiëntenbelangenvereniging had geklaagd, maar ik denk niet dat het met mijn werk te maken had. Het waren niet de donkerste zinnen waar ze zich aan stoorden, maar precies die tegenover plekken waar mensen moesten wachten. Er zitten daar mensen die donkere gedachten hebben, ook al hang je een plaatje van de zon op.’’

Is die zin weggehaald?

„Ja. Ik vond eigenlijk dat dat te ver ging. Maar het is hun leefomgeving.’’

In uw werk zitten veel autobiografische elementen. Opvallend afwezig zijn uw twee kinderen.

„Wanneer ik mijn vriend laat verschijnen, vraag ik hem ‘kun je hiermee leven?’ Kinderen kun je dat niet vragen.’’

Kan niet juist de open blik van kinderen helpen bij vragen over de verhouding tussen kunst en kijker?

„Ze kunnen zeker wel kunst beleven. Ik was met mijn zoontje van drie laatst in het Stedelijk Museum toen hij ging dansen bij een film waar ik al langs was gelopen zonder hem te zien. Een mooie film van Lucia Nimcova, waarin oude mensen gymnastiekoefeningen doen die ze zich herinneren. Je ziet ze langzaam soepeler worden en tegelijkertijd teruggaan in hun verleden. Als je ziet dat een kind dat nadoet, zie je meer. Alsof het verleden een nieuwe draai krijgt.’’

Heeft het moederschap u veranderd als kunstenaar?

„Ik ben concreter geworden, alsof een anker mij aan de aarde vastklinkt. Van nature ben ik iemand die gemakkelijk wegdroomt. Nu zit ik meer in de realiteit en dat is goed voor mijn hele wezen. Het moederschap heeft niet mijn kunst veranderd, wel mijn productie verhoogd. Vroeger dacht ik dat ik eerst een wandeling moest maken en dan nog een bepaald soort muziek moest beluisteren om in de juiste stemming te komen om te schrijven. Nu heb ik daar geen tijd voor en ik weet: ik moet gewoon zitten en beginnen. Het moederschap heeft me doen ontwaken in de werkelijkheid.’’

Ze vertelt hoe ze eens een paniekaanval kreeg, een jaar of zes geleden, bij de aanblik van een tafel. „Ik was als die tafel en voelde dat ik geen kant op kon. De angst ebde gelukkig weg. Maar ik bleef zien dat die angst een uitvergroting was van hoe ik dagelijks op een minder intensief niveau voorwerpen ervaar. De Lezing gaat daar over. Het is een zoektocht naar Cees Braakman, maar ook naar mijn angst voor solide objecten, die wordt uitvergroot bij een vrouw die voor alle meubels bang is. Hoe verhoudt ze zich daar toe?’’

De ‘tafelangst’ beschreef ze eerder in het gedicht ‘Een tafel vol mogelijkheden’. ,,[...] We zwommen. We waren weleens gelukkig / maar op een dag werd ik bang voor de tafel. / Hij trok zich er niets van aan of ik zou gaan. / Hij zou er toch wel blijven staan.’’

U schrijft openhartig over uw angsten: die schrik voor objecten, de man die ’s nachts voor uw raam staat en de angst om niet gezien te worden, als de deuren van de supermarkt niet opengaan.

„Ik interesseer me voor angsten, ook die van anderen. Ik heb een relatie gehad met [dichter, red.] Rogi Wieg, die angststoornissen heeft. Hij leerde me zien dat je veel kunt leren wanneer je onderzoekt wat de kern van je angst is.

„Op internet heb ik een prachtige lijst gevonden, met alle mogelijke angsten alfabetisch geordend. Dan zie je dat mensen werkelijk overal bang voor kunnen zijn, douchekoppen, bijvoorbeeld, schommelstoelen, gewrichten, Engelsen. Die lijst vind ik geruststellend, het is een poging om van het onbeheersbare iets formeels te maken, een encyclopedie van paniek.

„Met die deuren van Albert Heijn, dat is echt zo. Ik moet wachten tot er iemand anders komt om achter hem naar binnen te kunnen.’’

U bent dichter, beeldend kunstenaar, schrijver van romans, een toneelstuk, libretto voor kamermuziek. Waar kiest u als eerste voor?

„Wanneer ik zo nauwkeurig mogelijk probeer te noteren hoe het is, schrijf ik vaak onbedoeld een ruwe versie van een gedicht. In die vorm voel ik me het meeste thuis. Het fijne aan tekst is dat het geen stem heeft. Zodra je een gedicht gaat voorlezen, is het meteen een interpretatie. Dat vind ik ook moeilijk aan voordragen. Het liefst zou ik leeftijdloos, intonatieloos, vrouwloos voorlezen. Ik wil dat mensen zelf de lagen kunnen ontdekken. Maar soms wil ik dat er behalve tekst ook afstand is, of dat het donker is in een ruimte. Mijn ruimtelijke werk is een verlengde van wat ik schrijf. Als ik het ruimtelijk maak, is het omdat ik vermoed dat het schrijvend niet kan.’’

Voor uw dichtbundels bent u bekroond met hoge prijzen, om ‘de elegante, heel precieze taal’ en de ‘peinzende muzikale poëzie’. Worden uw gedichten meer herkend dan uw andere werk?

„Het is nu een tijd waarin de dichtvorm die ik gebruik wordt gewaardeerd. Misschien is het ook omdat ik in gedichten de meeste tijd steek. Of misschien ziet men er meer kwaliteit in – wie ‘men’ ook is.’’

Bent u schrijvend beeldend kunstenaar of beeldhouwer van taal?

„Ik denk dat ik een schrijver ben die zich verhoudt tot beeldende kunst. Dat is een kunstvorm op zich. Daar zou een naam voor moeten zijn.’’

Van Marcel Broodthaers wordt gezegd dat hij een literair denkend kunstenaar was.

„Daar herken ik me wel in.’’

U bent geen ‘blije maker’, schreef u, voor wie het niet uitmaakt in wat voor wereld haar werk terecht komt. Bent u een geëngageerd kunstenaar?

„Mijn werk moet inhaken op de realiteit. Geëngageerd is een lastige term. Ik zou mijn werk niet politiek noemen. Maar ik denk dat blije makers het nu veel minder kunnen volhouden. Als straks alleen nog kunst beloond wordt waar je Ahoy mee kunt vullen, wordt het een veel principiëlere keuze of je kunstenaar wilt zijn.’’

Gelooft u in een verschil tussen hoge en lage kunst?

„Ik zie wel dat er kunst is die wordt gewaardeerd door miljoenen en kunst die alleen toegankelijk is voor een geschoold publiek. Ik zou willen dat dichtkunst massaal werd gelezen. Helaas worden er van elke dichtbundel ongeveer 700 exemplaren verkocht. Ik geloof dat mensen er een verkeerde voorstelling van hebben. Of gewoon niet weten dat gedichten zijn als voedsel, heel basaal.’’

Eind dit jaar komt er een eind aan uw column, wat betekent dat voor u?

„De column geeft structuur aan mijn week, die anders een losse zee is. Maar ik verheug me erop meer tijd uit te trekken voor artikelen. Verder wil ik beginnen aan een roman, eindelijk regelen dat mijn piano terecht komt in het huis waar ik woon, en een nieuwe taal leren. Ik denk Japans. Of Arabisch.’’

Maria Barnas, Fantastisch. Verschijnt eind deze maand bij de Arbeiderspers.