In de loopgraven van de geest

‘De Duitse gevangene’ is de tiende in een serie ‘vergeten’ boeken over de Eerste Wereldoorlog. Het laat twee kanten van de mens zien, stelt Herien Wensink vast.

James Hanley: De Duitse gevangene & Passie in het aangezicht van de dood. Met foto’s van Corine van den Broek. Uitgeverij Dulce et Decorum, 100 blz. €17,50.

Tweemaal bevinden we ons bij de Britse schrijver James Hanley (1897-1985) aan het einde van de wereld. De eerste keer, in het verhaal De Duitse gevangene (1930), is het een stinkende kuil in het niemandsland, omringd door een dikke muur van mist. Hier belanden soldaten Elston en O’Garra, een Brit en een Ier, tijdens de Eerste Wereldoorlog, nadat ze bij een aanval van hun eenheid worden afgesneden. Ze bevinden zich niet meer in het daadwerkelijke oorlogsgewoel, maar toch is de oorlog overal. De ontberingen, de mislukking, de frustratie, gêne, woede en angst – juist in deze geïsoleerde luwte krijgen hun spoken vrij spel. Hanley verwijdert zijn personages uit het oorlogsgeweld, om ze te confronteren met de hel in hun hoofd. En dan valt er een mooie, jonge Duitser in hun handen.

In Passie in het aangezicht van de dood (1930) is het einde de dodencel: hier wacht oorlogsveteraan Carter, die in de loopgraven een been verloor, op de strop. Hij heeft tijdens zijn huwelijksnacht een man vermoord die zich aan zijn vrouw vergreep. Het huwelijk werd niet geconsummeerd en luttele uren voor zijn dood wordt Carter bevangen door een onbedwingbaar en luidkeels verkondigd verlangen naar zijn vrouw. Zijn bewakers worden door zijn wanhoop met hun eigen geweten geconfronteerd. Bij een van hen leidt wroeging er uiteindelijk toe dat hij zijn lichaam aan de gevangene offert.

In beide verhalen, bij uitgeverij Dulce et Decorum nu gebundeld, komen bij gewone mensen onder bijzondere omstandigheden grote onvermoede krachten vrij: de mooiste, en de lelijkste. Volgens het nawoord nam Hanley, die in zijn tijd werd vergeleken met Joyce, Kafka en Dostojevski, met De Duitse gevangene stelling in de klassenstrijd. Hij wilde ermee aantonen hoezeer de arbeidersklasse afgleed in een oorlog die werd gevoerd door de elite. Maar de argeloze lezer van nu kan het verhaal gewoon lezen als de Werdegang van de gewone man, in angstige, gewelddadige omstandigheden – de banaliteit van het kwaad.

In dat opzicht lijkt het een illustratie van Het Lucifer Effect, het pas verschenen boek van Philip Zimbardo, bekend door zijn omstreden Stanford Prison-experiment. De psycholoog laat hierin zien hoe vrijwel iedereen zich onder bepaalde omstandigheden tot een sadist kan ontpoppen. Hij nam als aanleiding de martelingen in Abu Ghraib. Van de meeste daders bleek dat zij doodgewone mensen waren, die zich voordien nooit eerder zo hadden misdragen.

Hetzelfde geldt voor de protagonisten van De Duitse gevangene, die blootstaan aan doodsangst en een door de oorlog aangewakkerde geweldsdrang: ‘[Elston] wist niet wat het was, maar een vreemde, krachtige impuls nam bezit van hem, een aandrang die hem als instrument ging gebruiken. Hij voelde iets machtigs in zich groeien.’ Die drang neemt bij Elston ook de vorm aan van lust, lust naar de knappe Duitser, hetgeen hem meteen weer met walging vervult: ‘Er was iets afstotends, iets misselijkmakends in die wellustige ogen en ook in de gekrulde lippen.’

Zimbardo laat zien hoe een proces van zelfrechtvaardiging en ontmenselijking uiteindelijk tot sadisme kan leiden, en dat gebeurt ook hier. Elston en O’Garra zien in deze ene Duitser plots de belichaming van het kwaad; hij is verantwoordelijk voor alle ellende: ‘al de acties, grote bekken, dreigementen, afmattingen, koude nachten, luizen en kiespijnen. En niet te vergeten het gedwongen afzien van vrouwen, nachten in de loopgraven tot je knieën in de modder, het begraven van je maten, het opruimen van verzetshaarden, dode paarden, hopen beschimmelde stront, hoofden, ballen, hersenen, overal […] Nu vraag ik je: waarom verdient hij te leven?’

In de gruwelijke apotheose, door Hanley in ongeremde, furieuze taal beschreven, maken de twee hun gevangene af als een beest. De lezer heeft een tijdlang met ze meegevoeld, maar kan dan toch niet anders dan zich vol walging van hen afkeren.

Maar in het tweede verhaal kantelt dit mensbeeld weer. Hanley schetst hier een heel vergelijkbare situatie: bange, boze mannen die tegen hun zin tot elkaar zijn veroordeeld, een duidelijk vijandbeeld, een dreigende dood. Bij bewaker Hope (!) komt eveneens een oerkracht vrij die zijn handelen overneemt. Maar hier heeft die een heel andere aard; het is er een van erbarmen. ‘Hij wilde de man kussen, hij wilde zich helemaal overgeven, hij wilde boete doen en krachtig en groots uiting geven aan de onmenselijkheid van de mens’. Als Hope uiteindelijk het bed deelt met Carter is het, schrijft Hanley, ‘als een moeder die haar kind zoogt’. Koppelt het eerste verhaal seks aan dood, het tweede viert juist het leven.

Dan blijkt deze bundel een tweeluik, een spiegel. Zimbardo laat misschien zien dat er in elke gewone man een sadist schuilt, maar net zo goed een held. Zoals het kwaad banaal is, onvermoed, terloops, alom aanwezig, zo is het goede dat ook. Wat begon met een triest stemmend mensbeeld, eindigt dan toch nog met hoop.