Het gaat ook met goedkope orkestjes

In plaats van orkesten op te heffen, kunnen ze ook wel wat kleiner en goedkoper. Dat biedt geheel nieuwe mogelijkheden, betoogt Hans Abbing.

Het opheffen van orkesten is onverstandig. Het is te hopen dat het parlement dit niet toelaat. Eerder zijn er al veel orkesten opgeheven en nu dreigt nog eens een kwart van de orkesten te verdwijnen. En het einde is nog niet in zicht. Een levende en levendige orkestpraktijk dreigt voorgoed verloren te gaan.

Het probleem schuilt bovenal in de kosten van uitvoeringen. Doordat deze zeer arbeidsintensief zijn, nemen met het stijgen van de lonen de kosten voortdurend toe. Ook als de bereidheid tot betalen van het publiek groter zou zijn – deze is nu minder dan die van de bezoekers van popconcerten – blijft het subsidiebedrag per stoel toenemen. Tegelijk mag het budget niet meer groeien. De enige oplossing lijkt daarom het opheffen van orkesten.

Er bestaat in het parlement en onder kunstliefhebbers een misplaats respect voor de kunst. De vermeende artistieke kwaliteit staat voorop. Als er eisen aan de orkesten worden gesteld, wordt niet gevraagd om de kosten te verlagen en wel om de artistieke kwaliteit nog verder te verhogen. Maar dit soort hoge artistieke kwaliteit is buitengewoon duur en het is de vraag of het bestaande publiek daar meer voor wil betalen. Bovendien stelt een dergelijke superieure kwaliteit aan het publiek hoge eisen en dat maakt het klassieke concert alleen maar onaantrekkelijk voor nieuwkomers. Deze houding vergroot daarom de noodzaak orkesten op te heffen.

Toch is dat niet nodig als het merendeel van de orkesten zijn kosten aanzienlijk zou verlagen. En dat is mogelijk. Een voorwaarde is wel dat de overheid enerzijds op alle orkesten samen bezuinigt en anderzijds zich veel minder bemoeit met de orkesten.

Grote instellingen doen al het mogelijke om te overleven. Als ze worden vrijgelaten, leiden bezuinigingen niet tot faillissementen, maar wel tot een mentaliteitswijziging. Er zullen, in ieder geval tijdelijk, arbeidsplaatsen verloren gaan, maar niet meer dan wanneer er drie orkesten worden opgeheven. Wat zal er veranderen?

De meeste orkesten reduceren het aantal vaste banen. Er wordt veel op projectbasis gewerkt en er wordt meer samengewerkt met ensembles. Mogelijk ontstaan er productiehuizen, zoals in het toneel. Er komt een pool van musici die bij meerdere orkesten werken. Alleen het Concertgebouworkest houdt veel musici in dienst om in een vaste samenstelling te kunnen repeteren, waardoor het zijn niveau kan handhaven.

Er komen voorzieningen om kamerorkesten en ensembles in grote zalen te laten spelen. Het taboe op geluidsversterking verdwijnt.

Composities voor kleine orkesten en ensembles staan vaker op het programma. Gemiddeld staan er veel minder musici op het podium.

Een klein aantal uitvoeringen met groot orkest blijft bestaan. Deze worden bijna uitsluitend door het Concertgebouworkest verzorgd. Doordat deze uitvoeringen een veel exclusiever karakter hebben, ontstaat er een publiek dat bereid is daarvoor te reizen en hoge bedragen te betalen.

Er wordt zo geprogrammeerd en geadverteerd dat aantrekkelijke uitvoeringen vaker achter elkaar gespeeld kunnen worden zoals in het toneel en bij de musical.

Componisten gaan vaker spannend werk voor kleine bezettingen schrijven, onder meer omdat dit eerder uitgevoerd wordt. Ze componeren werk dat aantrekkelijk is voor een groter publiek, waarbij ze voortbouwen op het geliefde traditionele repertoire of een brug slaan tussen dit repertoire en het contemporaine repertoire, dat immers alleen aantrekkelijk is voor een kleine groep goed getrainde luisteraars.

Er komen uitvoeringen die aantrekkelijk zijn voor een nieuw en jong publiek. Geen smokings, geen ritueel van buigen, opstaan en gaan zitten. Wel communicatie tussen musici en publiek. Bovendien is de stilte in de zaal minder dwingend en is er meer bewegingsvrijheid. Het rituele en plechtige karakter van het gangbare concert is aantrekkelijk voor een ouder publiek, maar een jong publiek is daar zelden van gediend.

Daarnaast komen er uitvoeringen die vooral aantrekkelijk zijn voor een nieuw publiek van middelbare leeftijd. Vooraf en achteraf zijn er borrels of er is een lezing of gesprek. Als dit goed gedaan wordt, is dit publiek bereid daarvoor meer te betalen. Kortom, over de hele linie komt er meer diversiteit.

Te veel respect doet de kunst geen goed. Wat hoge kwaliteit is, ligt niet vast. Als Mengelberg er geen moeite mee had om Beethoven met groot orkest uit te voeren, dan hoeft het nu niet bezwaarlijk te zijn om dit juist met minder musici te doen. Dat is een andere Beethoven dan in zijn eigen tijd, maar niet noodzakelijk slechter dan die van Mengelberg.

De genoemde ontwikkelingen kunnen gezien worden als vloeken in de kerk van de klassieke muziek. Maar ik denk dat het serieuze mogelijkheden zijn die er toe kunnen leiden dat de orkestpraktijk niet ‘sterft in schoonheid’.

Hans Abbing is emeritus hoogleraar kunstsociologie en beeldend kunstenaar.