Eigen nieuws Aan de wieg van onze woorden

Paniek

Waar komen de woorden vandaan? Waarom heet een worst worst? Deze keer bedenkt Bas Rompa de geboorte van het woord paniek.

Vaak denk ik: was ik maar drieduizend jaar geleden geboren in Griekenland. Ik zou genoten hebben van al die goden en vooral van de verzonnen verhalen (mythen) die over hen werden verteld. Wat dat betreft is de moderne hemel met twee goden, de Heer en Allah, behoorlijk saai.

Twaalf Griekse goden waren het belangrijkste. Ze woonden op de berg Olympus, vandaar de naam Olympische familie. Oppergod was Jupiter en Hera zijn wettige vrouw. Maar Jupiter had veel vriendinnetjes onder godinnen en vrouwen. Ook een verschil met de Heer en Allah: Jupiter en kornuiten waren grote deugnieten!

Die twaalf belangrijkste goden waren hele goden en dus onsterfelijk. Daarnaast had je halfgoden: half god half mens en sterfelijk. De grappigste en ondeugendste vind ik de halfgod Pan, omdat hij ook nog eens half mens half dier was. Hij had de kop en de voeten van een bok. Vrouwen waren bang voor hem.

Pan woonde in de bergen en vond het leuk om argeloze reizigers de stuipen op het lijf te jagen. Hij sprong uit de struiken en begon afgrijselijk te krijsen. De reizigers wisten niet waar ze het moesten zoeken van angst. Hun reactie noemen we tot op heden: paniek. De Belgen bedachten het werkwoord ‘paniekeren’.

Op een middag zat Pan een nimf achterna. Net voor hij haar te pakken kreeg, veranderde zij in riet. Pan brak een rietstengel af en toen hij die kuste, maakte het riet een prachtig geluid. Elk nadeel heb z’n voordeel: de uitvinding van de Panfluit was een feit. En Pan zou Pan niet zijn als hij zijn instrument niet misbruikte. Eerst stelde hij mensen gerust met mooie klanken, om dan verschrikkelijk te gaan gillen.

De laatste tijd denk ik af en toe dat Pan stiekem een hele god was, onsterfelijk en dus nog onder ons. Dan zie ik op de televisie massa’s mensen die in paniek uit elkaar stuiven. Ik vermoed dat achter een muur of in een boom verscholen Pan zit te lachen in zijn vuistje. De rotzak.

Bas Rompa