Een bom in de camera

Voor journalisten is oorlog een zeephelling: blijven ze afzijdig, raken ze geëngageerd of glijden ze door naar medeplichtigheid? Het International Documentary Filmfestival Amsterdam laat films zien over soldaten en journalisten, samen ‘embedded’ in Afghanistan of betrokken bij een bomaanslag in Nicaragua.

Oorlog is voor militairen, maar ook voor oorlogsjournalisten een broodwinning. Bij de 23ste editie van het IDFA reizen documentairemakers weer langs ’s werelds brandhaarden: Afghanistan, Irak, de Gazastrook. Dat levert hartverscheurend spektakel op, zoals in Tears of Gaza. Maar de filmmaker registreert, zijn morele positie staat niet op het spel. Terwijl zijn camera nooit neutraal kan zijn: het leed van Palestijnse burgers in Gaza is voor Israël een propagandistische tegenslag.

Elke journalist is zich daarvan bewust, maar kan zich meestal zonder enig schuldgevoel laten gebruiken. De wereld moet het zien, ongeacht de gevolgen. Neem IDFA-documentaire Finding Fidel. The journey van Erik Durschmied, waarin deze sterjournalist terugkijkt op de ontmoeting die zijn carrière maakte. Hij zag daarna „meer oorlogen dan welke levende generaal dan ook” en interviewde wereldleiders van Kennedy tot Saddam Hussein. Maar hij brak door toen hij als 28-jarige ‘nobody’ als eerste doordrong tot het hoofdkwartier van de toen nog obscure Cubaanse rebel Fidel Castro in de Sierra Maestra. Samen schaafden ze wekenlang aan een interview: de nauwelijks Engels sprekende Castro leerde zijn antwoorden fonetisch uit zijn hoofd. Van marxisme wilde hij niets weten, zei Fidel, kauwend op zijn sigaar. Hij zou niets in beslag nemen, laat staan de macht met geweld grijpen: „I don’t want to be president.” Eenmaal in Havana zou hij eerlijke en open verkiezingen organiseren.

Durschmieds beelden gingen de wereld over en gaven Washington het idee dat Castro misschien het soort romantische nationalist was dat al zo vaak was gecorrumpeerd in Latijns-Amerika. „Natuurlijk werd ik gemanipuleerd”, hijgt de bejaarde journalist terwijl hij een halve eeuw later naar Castro’s oude hoofdkwartier klimt om herinneringen op te halen.

Finding Fidel toont het verkalkte, repressieve Cuba van nu, maar zet geen vraagtekens. Het interview was voor zowel Castro als Durschmied een doorbraak. Maar journalistiek was het volledig legitiem.

Veel interessanter is Last Chapter (Farewell to Nicaragua), waarin we zien hoe engagement de Zweedse oorlogsjournalist Peter Torbiörnsson moreel compromitteerde. Daar kwam hij nooit overheen: de filmmaker lijdt aan een posttraumatisch journalistiek stresssyndroom. In Last Chapter keert Torbiörnsson terug naar de plek van het misdrijf waaraan hij in zekere zin medeplichtig was, al weigert hij dat te accepteren. Mede doordat hij een loopje nam met journalistieke ethiek stierven vier mensen en raakten zes anderen zwaar gewond. Torbiörnsson zweeg een kwart eeuw over zijn rol, om vorig jaar op zoek te gaan naar de waarheid. Zijn troebele positie maakt Last Chapter tot een wonderlijk getormenteerde en spannende documentaire.

Op 30 mei 1984 was Torbiörnsson bij de La Penca-bomaanslag. De bom die in een hutje bij de San Juan-rivier op de grens van Nicaragua en Costa Rica explodeerde, was bedoeld voor Edén Pastora, ofwel ‘Commandante Zero’, een grillige, charismatische guerrillaleider die in 1979 in Nicaragua samen met de sandinisten dictator Somoza ten val had gebracht, maar zich later tegen hun marxistische scherpslijperij keerde en zich aansloot bij de Contra’s. Pastora’s relatie met de CIA, die de strijd tegen de sandinisten financierde, was slecht.

De bom ontplofte tijdens een persconferentie. Pastora raakte gewond aan zijn benen, drie journalisten en een strijder stierven. Al snel was duidelijk dat de bom verstopt was in een cameradoos en van afstand tot ontploffing was gebracht door iemand die zich voordeed als de Deense cameraman Per Anker Hansen. Torbiörnsson had deze Anker ontmoet en meegenomen naar Pastora. Amerikaanse journalisten stelden in 1986 vast dat de CIA achter de aanslag zat en openden een rechtszaak. In 1993 onthulde de Miami Herald evenwel dat de ‘nep-Deen’ Hansen een Argentijnse guerrillastrijder was die banden had met Cuba en de sandinisten.

Al die tijd zweeg Torbiörnsson: pas onlangs volgde zijn bekentenis. De Zweed, toen een vurig sympathisant van de sandinisten, had vooraf een ontmoeting gehad met een chef van de sandinistische geheime dienst, de Cubaan Renan Montero. Die vroeg hem de ‘nep-Deen’ te introduceren bij Pastora. De Zweed wist dat hij een spion was, niet dat hij een bomaanslag ging plegen.

In Last Chapter reist Tobiörsson in 2009 naar Nicaragua om alsnog een aanklacht in te dienen tegen de verantwoordelijken: de toenmalig minister van Binnenlandse Zaken Tomás Borge en ex-chef van de veiligheidsdienst Lenín Cerna. Voor de sandinisten was de aanslag de ideale misdaad: eliminatie van een gevaarlijke vijand en ontmanteling van het CIA-netwerk in Costa Rica. Want de CIA kreeg uiteraard de schuld van de aanslag en moest snel zijn koffers pakken.

Torbiörnsson vertelt per telefoon uit Spanje dat hij collega’s indertijd achter de schermen informeerde dat de CIA er niets mee te maken had. Maar waarom zweeg hij over zijn rol? Omdat hij slechts één detail kende en geen hard bewijs had dat de sandinisten schuldig waren aan staatsterreur, zegt hij. Maar het was wel een detail dat de perceptie van de bomaanslag had laten kantelen. Nu doet het er niet meer zo toe.

In de verlate kruistocht voor de waarheid van de bejaarde Tobiörsson in Nicaragua en Cuba sluiten de deuren zich die vroeger zo uitnodigend openstonden. Oude vrienden onder de sandinisten, nu een corrupte machtspartij, maken hem uit voor Don Quichot. Totdat één hoge politiefunctionaris bereid is toe te geven dat de bomaanslag in Managua werd georganiseerd. Dat voert naar een fantastisch apotheose waarin de gepensioneerde topsandinist Tomás Borge botst met zijn ex-sympathisant. Zonder de misdaad toe te geven, vraagt Borge aan Torbiörnsson waarom hij dan zo lang zijn mond hield. „Je zwijgen maakt je medeplichtig.” Maar ik vertrouwde de sandinistische revolutie, roept de Zweed emotioneel.

Het is ook een verwijt waarop Torbiörnsson geen bevredigend antwoord heeft. Dat hij als journalist nog partijdiger was dan collega’s die indertijd routineus informatie verzwegen die ongunstig was voor de sandinisten, is tot daar aan toe. Maar werken voor een geheime dienst? Schaamt hij zich niet?

Ja en nee. Over zijn zwijgen doet Torbiörnsson ontwijkend. Eerst wilde hij niet geloven dat Hansen de bom had geplaatst, daarna wilde hij vergeten: het was te pijnlijk om onder ogen te zien dat hij slechts een nuttige idioot was geweest, zoals Lenin bourgeoissympathisanten van het communisme noemde. Iemand die je gebruikt en opoffert als het zo schikt. En toen dat tot hem doordrong? Toen wist hij niet hoe hij het verhaal moest vertellen.

Dat gezwalk maakt Last Chapter tot zo’n fascinerend mengsel van zelfrechtvaardiging en zelfkastijding. De Zweed wandelt met doorgroefd gelaat en holle ogen door het beeld: een Dostojevski gebukt onder schuld. En geeft alle ruimte aan degenen die hem zijn morele falen inwrijven. Zo neemt een Amerikaanse journaliste die door de aanslag verminkt raakte, geen genoegen met zijn Ich habe es nicht gewusst. En sneert toenmalig doelwit Edén Pastora, nu weer bevriend met de sandinisten: „De hel zit vol berouwvolle zondaars. Nu niemand meer naar hem luistert, nu hij oud en afgedraaid is, toont hij opeens berouw.”

Zelf vindt Torbiörnsson dat hem niet veel valt te verwijten. Partijdigheid? „Hoe kan je onpartijdig zijn in de Tweede Wereldoorlog? Is het dan niet te rechtvaardigen met een geheime dienst tegen de nazi’s te werken?” Voor hem was Nicaragua in de jaren tachtig zo’n moreel heldere situatie. De sandinistische revolutie was jong en populair, hij dacht de wereld een betere plek te maken. Zijn aanschurken tegen de sandinisten was bovendien niet louter naïviteit. „Ik wilde als journalist de allerbeste contacten.”

Torbiörnsson slaagt er in Last Chapter niet in zichzelf als baron Münchhausen aan zijn eigen haren uit het morele moeras te trekken. Juist dat maakt deze documentaire, anders dan het zelfgenoegzame Finding Fidel, tot zo’n interessante bespiegeling over de zeephelling van engagement naar partijdigheid. Wie een Durschmied wil worden, loopt altijd het risico als een Torbiörnsson te eindigen.