'Doe wat nuttig is en geniet'

In ‘Het verdorven genootschap’ zijn de vergeten Verlichtings- denkers Holbach en Diderot de helden. ‘Hun breuk met het traditionele denken was te groot’, zegt Philipp Blom tegen Marco Kamphuis.

Blom, Philipp. Historicus, Journalist, Vertaler en Schrijver. Geboren in Hamburg 1970. Schrijver van o.a. "De duizelingwekkende jaren". Amsterdam,04-11-2010. Foto Leo van Velzen NrcHb.

In Philipp Bloms Het verdorven genootschap staat een 17de-eeuws herenhuis in Parijs centraal: rue des Moulins 10, vlak bij het Louvre. Omstreeks 1750 begon de vooruitstrevende baron Paul-Henri Thiry d’Holbach hier twee keer per week gelijkgezinde geesten te ontvangen. Deze salon werd al snel de belangrijkste van Europa en trok briljante buitenlandse gasten, zoals de Schotse filosoof David Hume. Maar de echte ster was toch Denis Diderot.

Historicus Philipp Blom: „De baron had een veelgeprezen wijnkelder, en Diderot lezen is al een genoegen, maar als spreker moet hij een sensatie zijn geweest.” Behalve geanimeerd waren de bijeenkomsten ook riskant, want de kern van het gezelschap hield er radicale Verlichtingsideeën op na, die in de salon vrijmoedig werden besproken. Dit in een Frankrijk waar je al kon worden terechtgesteld voor het bezit van een verboden boek. Blom: „Maar wat ik vooral bewonder is de intellectuele moed om iets te denken wat niemand anders denkt.”

De geschiedenis heeft de radicalen van de Verlichting tekortgedaan, stelt Blom in zijn erudiete, fris geschreven boek. Als boegbeeld van de Franse Verlichting geldt de veel minder revolutionaire denker Voltaire, wiens stoffelijk overschot, evenals dat van Rousseau, in het Panthéon rust; de beenderen van Holbach en Diderot liggen in een naamloos graf. Diderot (1713- 1784) geniet nog wel een reputatie als redacteur van de Encyclopédie en romanschrijver, maar niet als denker, en Holbach (1723-1789) is hooguit nog een voetnoot in de filosofiegeschiedenis.

De auteur die dit onrecht wil herstellen is een vriendelijke, bedachtzaam formulerende veertiger. Hij is Duitser van geboorte, studeerde in Oxford, woonde in Londen en Parijs en leeft tegenwoordig in Wenen. Vorig jaar had hij veel succes met De duizelingwekkende jaren, over de Belle Époque. Hij schrijft zijn boeken – romans en historische werken – in het Engels, om ze vervolgens zelf in het Duits te vertalen. En hij blijkt vloeiend Nederlands te spreken: „Mijn moeder is als Duits meisje in Nederland opgegroeid. Wij kregen thuis altijd te horen dat in Nederland alles beter is.”

De kennissenkring van Holbach werkte aan de ‘Encyclopédie ou dictionnaire raisonné des sciences, des arts et des métiers.’ Waarom noemt u de ‘Encyclopédie’ een ‘Paard van Troje’?

„De vaste gasten van de salon waren wetenschappers en wetenschappelijk ingestelde literatoren. De meesten waren atheïst en materialist, ze dachten in termen van oorzaak en gevolg en baseerden zich op feiten. Hun opvattingen waren niet alleen gevaarlijk voor de kerk, maar ook voor de staat, want zonder God die een hertog boven een boer had gesteld zou de hele maatschappelijke hiërarchie in duigen vallen. Met de Encyclopédie brachten Diderot en zijn vrienden hun subversieve denkbeelden onder het mom van feitelijke informatie aan de man. Openlijke kritiek op het christendom zou niet door de censuur komen, maar ze konden wel heidense rituelen belachelijk maken die toevallig veel op christelijke rituelen leken. Dus van een Romeinse cultus waarin een duif werd aanbeden of een Egyptische mythe met een maagdelijke geboorte schreven ze: wat moet je achterlijk zijn om dat te geloven! Ook kruisverwijzingen boden mogelijkheden. Bij het lemma ‘eucharistie’ stond ‘zie ook: kannibalisme’.

„Bovendien was het veelbetekenend dat er geen biografische lemma’s waren opgenomen. De Encyclopédie ging niet over koningen en heiligen, maar weidde wel uit over ambachten en benadrukte zo de waardigheid van hardwerkende burgers en boeren. En die revolutionaire opvattingen kwamen op de boekenplank te staan bij mensen die nietsvermoedend op een naslagwerk hadden ingetekend.”

U behandelt verschillende salongasten die op hun eigen vakgebied bijdragen aan de ‘Encyclopédie’ leverden. Maar de helden van uw boek zijn toch Holbach en Diderot. Kunt u ze karakteriseren?

„Holbach was in Duitsland geboren als zoon van een wijnboer. Zijn oom, wiens fortuin hij zou erven, haalde hem als jongen naar Parijs, dus hij is eigenlijk in Frankrijk opgegroeid. Hij studeerde in Leiden, waar een intellectuele vrijheid heerste die aan geen enkele andere universiteit te vinden was. Terug in Parijs miste hij de kameraadschap van het studentenleven, bovendien wilde hij iets nuttigs doen. Toen hij op de Encyclopédie stuitte, waarvan het eerste deel net was verschenen, werd hij medewerker.

„Hij was een heldere rationalist die dacht: religie is flauwekul. Onder pseudoniem schreef hij de eerste belangrijke atheïstische boeken sinds de Oudheid, zorgvuldig beargumenteerd, soms met een aangrijpend pathos, soms bijzonder langdradig. Die boeken werden in Amsterdam gedrukt en in hooibalen en haringvaten naar Frankrijk gesmokkeld. Holbach was een sereen, wetenschappelijk denkend mens die zijn geld heeft uitgegeven aan de beste dingen ter wereld: vrienden, boeken en wijn.

„Diderot was heel anders. Hij was de vrome zoon van een welgestelde ambachtsman in de Champagne. Hij ging op zijn vijftiende naar Parijs om een opleiding tot priester te volgen, maar legde zijn kleed al snel af. Hij was zeer geestig, zeer gevat, en werd dus het middelpunt van Holbachs salon. Wat hem psychologisch zo interessant maakt, is dat hij naast een sterke rationalistische overtuiging ook een grote nostalgie naar het geloof had. Hij kon de wereld van zijn jeugd niet afschudden en behield eerbied voor zijn religieuze familie. De spanning tussen zijn materialisme en moralisme, dramatiseerde hij in zijn literaire werk. Daar, en in zijn brieven, vind je diepe inzichten. Hoewel hij nooit een systematisch filosofisch werk heeft geschreven, denk ik dat hij een groot filosoof was.

„Hij onderscheidde zich van de gematigde Verlichtingsdenkers door zijn materialisme. Net als Holbach vond hij dat de mens primair niet door de rede, maar door zijn lichamelijkheid, zijn instincten gedreven wordt. En dat daar niets mis mee is. Het mooiste, het leukste wat wij in ons leven kunnen meemaken, zit in die instincten. De rede moet ze alleen bijsturen. Je kunt simpelweg vaststellen wat andere mensen schade berokkent of wat juist goed voor hen is, en dat alleen moet onze morele leidraad zijn. En dat kán ook, want empathie is tenslotte ook een van onze instincten.”

Toch denken we bij Verlichting aan Voltaire en Kant. Waarom heeft niet de radicale, maar de gematigde Verlichting het pleit gewonnen?

„De breuk met het traditionele denken was te groot. Gematigder denkers lieten nadrukkelijk een deur open voor het geloof, en hielden daarmee de maatschappelijke structuur in stand. ‘Als God niet bestond, zou hij moeten worden uitgevonden’, zei Voltaire. Hij was fel tegen atheïsme. Het is waar dat hij moedig tegen de intolerantie van de kerk vocht, maar hij geloofde wel dat er een God was, een soort klokkenmaker die het mechaniek van de wereld had geschapen. De vrienden van Holbachs salon zeiden daarentegen, vooruitlopend op Darwin, dat de wereld was geëvolueerd door toeval en natuurlijke selectie.

„De gematigde Verlichtingsdenkers handhaafden ook de christelijke minachting voor de instincten en zetten de rede op de troon. Door het lichaam als iets troebels te onderdrukken werd de verregaande rationalisering van de kapitalistische maatschappij in de 19de eeuw mogelijk. Zo kom je terecht in Modern Times van Charlie Chaplin, en, als je het schroefje nog iets vaster aandraait, bij de dienstregeling van de trein naar Auschwitz. Dat is allemaal rationeel, dat werkt allemaal prima. Ik wil zeker niet zeggen dat de gematigde Verlichting automatisch in Auschwitz terechtkomt, maar je ziet dat er in die rationalisering van de mens ook een heel problematisch potentieel zit.”

Het filosofisch materialisme van de radicalen heeft u geïnspireerd tot kritiek op onze huidige maatschappij.

„Onze samenleving is nog altijd theologisch geconditioneerd, maar dan op een verhulde manier. Je ziet bijvoorbeeld christelijke reflexen in de Hollywoodfilm, waar naaktheid obsceen is, maar gedetailleerd in beeld gebrachte marteling en moord niet. Ik vind dat pervers... maar het is diepgaand christelijk. Of dat de held overwint, maar pas nadat hij geleden heeft. Het lijden is positief. Je moet zoveel mogelijk lijden op aarde, om minder te lijden in de eeuwigheid. Het christelijk geloof is dat van de lijdende God: Jezus moest worden gemarteld en vermoord, opdat God de mensen hun zonden kon vergeven. Dat is niet logisch, maar toch is onze maatschappij doordrongen van dat schuldbesef.

„Religie corrumpeert mensen doordat ze tegen hun natuur moeten ingaan. Het perverse genie van het christendom heeft ingezien: als je de wellust, de hartstocht van de mensen met zonde belast, dan heb je ze te pakken. Daar komen ze nooit meer uit.”

Maar heeft u een alternatief?

„Waarom kunnen we niet helder zeggen dat er een heleboel sterke overtuigingen bestaan en dat religie daartussen geen bevoorrechte positie hoort te krijgen? We kunnen onze maatschappij niet op alle mogelijke overtuigingen bouwen, maar we moeten één – zeg maar minimale – moraal vinden die voor iedereen werkt. En dan kunnen mensen thuis doen wat ze willen.

„Dat zou, net zoals de radicalen van de Verlichting voorstonden, een moraal zonder geopenbaarde waarheid zijn, een pragmatische moraal, gebaseerd op wederzijds respect. Doe wat nuttig is, mijd wat u en anderen schaadt – en geniet van het leven. Die onderdrukte, hedonistische moraal van de salon van Holbach heb ik weer onder de aandacht willen brengen omdat ik denk dat die vandaag vruchtbaar kan zijn. En omdat ik zo tegelijkertijd een verhaal over boeiende mensen kon vertellen, natuurlijk.”

Philipp Blom: Het verdorven genootschap. Vert. Pon Ruiter. De Bezige Bij, 384 blz. € 29,90 (geb.)