De lezers hebben gekozen: nog meer mooie zinnen van de oeuvrebouwer Harry Mulisch

Tientallen reacties kwamen binnen op de oproep om de mooiste zin uit het werk van zaterdag begraven Harry Mulisch te kiezen. Hierbij een selectie, plus als bonus het begin van een sonnet van Onno Kasteelen waarin enkele uitspraken van Mulisch verzameld zijn: ‘Terwijl ik aan de tafel zit te lezen / Is er voor Harry Mulisch telefoon / En hoor ik hem op overtuigde toon: / „Mijn dood moet eerst maar eens worden bewezen.” // De Tweede Wereldoorlog in persoon / Krijgt het bewijs geleverd nu in dezen / En tot de Grote Een weer is herrezen / Is dood zijn ook voor hem niet ongewoon.’

‘Tussenzin rijt zich aan tussenzin, in de vierde tussenzin wordt plotseling een voorbehoud gemaakt in enerzijds anderzijds [...], in aanmerking genomen dit, met het oogmerk dat, ingevolge bevel zus en zo, aangezien, hoewel, Reichsfuhrer SS und Chef der deutschen Polizei, want maar overigens, zodat dus. Wat niet wegneemt en maar voort in eindeloze deining.’

Deze zinnen komen uit De Zaak 40/61. Als jongen van 12 moest ik kijken naar die vale man met grote bril in zijn glazen hokje. Een bureaumoordenaar. Jaren later las ik De zaak 40/61 en leerde dat Adolf Eichmann een fabelachtig taal- en redeneervermogen had. Mulisch vat dat samen en zegt vervolgens: ‘Het is de taal van het belastingbiljet en het proces-verbaal, vermenigvuldigd tot in het krankzinnige. Dit spreken is het fascisme’.

Ben Azijnman, Utrecht

‘Ik was achttien toen er gebeld werd.’

Wat een begin. Je bent direct in ’t verhaal (Voer voor psychologen). Wie is ’t? Waar komt ie voor?

Bert Smit, Leeuwarden

‘Hij herinnerde zich iets, dat hij ergens gelezen had (of had hij het zelf bedacht?): De ziel gaat te paard. […] Zijn ziel was te paard nagekomen – daar was zij. Zij liet zich niet motoriseren.’

Deze zinnen (uit Het stenen bruidsbed) zijn prachtig geformuleerd. Maar ze vormen ook een prachtige aanklacht tegen massatoerisme en digitalisering in een periode dat het massatoerisme net was begonnen en digitale fotografie nog niet bestond. Door de fysieke snelheid van het toerisme en het digitale klikken zonder echt te kijken, komt de ziel altijd veel te laat. De ziel van de fragmentarische mens komt er terug thuis niet meer toe de vakantie te beleven. Laat staan te herbeleven. Dat heeft Mulisch ruim 50 jaar geleden blijkbaar al voorzien.

Peter van der Schaft (zin ook gekozen door Kitty de Groot uit Monster)

‘Ik [...] stelde mij mijn begrafenis voor: in een gouden kist, veertig wagens met bloemen, zeshonderd volgauto’s gevuld met mooie vrouwen en enigszins ongunstig uitziende mannen met littekens en een loerende oogopslag.’

In Voer voor psychologen, schrijft Harry Mulisch over zijn beoogde begrafenis. En inderdaad: een gouden kist, wagens met bloemen, mooie vrouwen en een hoop ongure types met littekens. Ik heb het gezien, prachtig was het. Een mirakel.

Jacob Hilbrands, Garmerwolde

‘Dat had niets met elkaar te maken, en toch gebeurde het gelijktijdig.’

De intrigerendste vraag van De ontdekking van de hemel: bestaat er zoiets als toeval of is er een groter plan voor deze wereld? Zijn gebeurtenissen als dominosteentjes, die onverwachte acties in gang zetten of brengt de ene groep met mensen een andere groep gewoon op ideeën? In zijn werk suggereert Mulisch voortdurend dat die antwoorden misschien wel ergens te vinden zijn. Het blijven stellen van de vragen over de samenhang tussen alles voedt de nieuwsgierigheid naar het mythische antwoord.

Josan Tielen

‘ wie vlucht , vlucht het gevaar tegemoet.’

In het boekje Paralipomena Orphica (1970) wordt de ik-figuur door zijn vader naar Zuid-Limburg gestuurd en waant zich daar veilig , maar dan gebeurt er iets onverwachts. Over dit thema zijn films en boeken gemaakt. Mulisch vat het samen in een zin. De mens weet nooit waar zijn geluk of ongeluk ligt.

René Guljé, Utrecht

‘Voor Hollanders is de ziel, en vooral de Duitse, iets heel verdachts, ze willen er al even weinig mee te maken hebben als met andere Duitse verworvenheden, zoals de mythe of het onbewuste, de alchemie en de metafysica. Ik ben daar niet bang voor, in dat opzicht ben ik een buitenlander van de tweede generatie.’

Mijn mooiste Mulisch- zin komt uit het interviewboek De hond en de Duitse ziel (Chr. Buchwald, 2002). Mulisch betreedt hier het terrein waarop hij in Nederland (in mindere mate in Duitsland) een nuttige functie vervuld heeft: het nader tot elkaar brengen van de Duitse en Nederlandse cultuur. Mulisch grijpt bovengenoemde Nederlandse eigenschap tegelijk aan om zijn eigen positie als erfgenaam van de Duitse cultuur mee te accentueren.

O.R. den Hengst, Arnhem

‘Ik kom er aan. Dan zal ik mijn verzengende licht eens laten schijnen over die Boheemse paardendief van jou.’

In De ontdekking van de hemel staat in hoofdstuk 13 de zin die ik nooit vergeten ben. In de gekozen woorden proef je Mulisch’ innemende charme, zijn visie, zijn uitnodigende taalgebruik. Het heeft vaart, je ziet hem en hoort hem en je wilt niets liever dan dat hij zijn licht laat schijnen.

Cora Duin, Amsterdam

‘Buitengaats rekte de nacht zich loom uit, en de stilte in het huis, het was of ook zij in een leunstoel zat, geduldig en met over elkaar geslagen benen. Zo zaten zij tegenover elkaar, de heer Tiennoppen en de stilte.’

Het is moeilijk kiezen uit Het mirakel, want het staat vol met beeldende stijljuwelen. Mijn keuze is op de bovenstaande zin gevallen. Je ziet het voor je.

Vera de Leeuw, Bloemendaal

‘Haar begrip hing in kringen om haar ogen, holde haar wangen uit, stond in flessen en potjes en buisjes naast haar bed.’

In één pennenstreek schetst Mulisch de vrouw van de ontrouwe Norman Corinth in Het stenen bruidsbed. Zo ontzettend mooi. In de roman speelt ze verder geen rol van betekenis meer maar voor mij vormde deze vrouw de opmaat alles te gaan lezen wat Mulisch opschreef. Of liever opschilderde.

Eric Vermeer