De hartstocht gaat boven alles

Anders dan in zijn eerdere succesboeken beperkt Michael Cunningham zich dit keer tot één verhaal. Maar opnieuw lezen we een dromerig-filosofische roman die getuigt van een talent voor melancholieke zinnen en rake psychologische portretten.

Amsterdam 1-11-2010 Michael Cunningham Foto NRC H'Blad Maurice Boyer

Michael Cunningham: Bij het vallen van de avond (By Nightfall). Vert. Marijke Versluys. Prometheus, 256 blz. € 19,95

Met The Hours schreef Michael Cunningham een van de mooiste Amerikaanse romans van de jaren negentig. Het succesrijk verfilmde boek was een variatie op Mrs Dalloway, de modernistische klassieker van Virginia Woolf, en vertelde drie hartverscheurende verhalen: over een lesbienne op leeftijd in Manhattan, over de psychotische Woolf die aan een nieuw boek begint, en over een Wanhopige Huisvrouw in het Los Angeles van 1949. Geen opwekkende kost, maar wel een ontroerende mozaïekroman die je deed meeleven met de personages en troost bood met een moraal die makkelijk sleets had kunnen overkomen: het leven is misdadig, maar er zijn verzachtende omstandigheden: vriendschap, liefde en literatuur.

In zijn nieuwe roman, de opvolger van Specimen Days uit 2005 (dat ook drie plots combineerde), houdt de 58-jarige schrijver het bij één verhaal. Maar dat neemt niet weg dat By Nightfall (Bij het vallen van de avond) een typische Cunningham is. Opnieuw lezen we over een personage dat zich op een kruispunt – om niet te zeggen crisis – in zijn leven bevindt: de midden-veertiger Peter Harris. Opnieuw bevinden we ons vooral in zijn geest en worden we getrakteerd op elegante innerlijke monologen. Opnieuw lezen we een dromerig-filosofische roman die getuigt van Cunninghams talent voor melancholieke zinnen en scherpe psychologische portretten. Opnieuw is het in veel opzichten Mrs Dalloway revisited.

‘Gelukkige man raakt in midlifecrisis’ – dat is de kortste samenvatting van Bij het vallen van de avond. Peter, een galeriehouder uit de New Yorkse middenmoot, is lang en tevreden getrouwd met Rebecca, de redactrice van een kunsttijdschrift. Hij staat op het punt om een Veelbelovende Grootheid aan zijn stal toe te voegen en maakt zich eigenlijk alleen zorgen om zijn dwarse dochter, die zich als een verlate puber afzet tegen haar ouders en nog net niet is vervallen tot de staatsgevaarlijke rebellie van die andere ontspoorde dochter uit de Amerikaanse literatuur, Merry Levov uit Philip Roths American Pastoral. Maar zoals Peter zelf al denkt: ‘We tobben altijd om de verkeerde dingen’. Zijn leven wordt namelijk niet door dochter Bea op losse schroeven gezet, maar door de jongere broer van zijn echtgenote – een beeldschone, drugsverslaafde homoseksueel.

Het wordt niet helemaal duidelijk waarom Peter als een blok valt voor deze Ethan, en ook niet of zijn onverwachte liefde voor een man het gevolg is van zijn diepverborgen onvrede met het leven óf juist het gevolg daarvan. Hoe dan ook heeft Peter ‘maar een klein zetje nodig om zijn leven kapot te maken’. Zijn coup de foudre is vergelijkbaar met die van de gemiddelde oude bok en het groene blaadje, en ook in zijn geval scheelt het weinig of hij vergooit zijn huwelijk voor een jonge potentiële geliefde die een spelletje met hem lijkt te spelen. ‘Peter had gedacht dat hij zich kon laten meevoeren, het leven van anderen kapot kon maken (om van zijn eigen leven nog maar te zwijgen) en toch iets van schuldloosheid kon behouden omdat hartstocht boven alles gaat, hoe groot ook de begoocheling, hoe tot mislukken gedoemd ook.’

Cunningham heeft al eerder mooi en ongedwongen geschreven over homoseksualiteit, niet alleen in The Hours, maar ook in A Home at the End of the World (1990), dat zich afspeelt in de Reaganjaren, en in de familieroman Flesh and Blood (1995). Maar in Bij het vallen van de avond maakt hij duidelijk dat we Peter niet moeten zien als iemand die extreem laat uit de kast komt, maar als een open mind die hunkert naar schoonheid. En terwijl we Peters verhaal lezen, denken we terug aan het motto van de dichter Rilke dat Cunningham aan zijn roman meegaf: ‘Schoonheid is niets anders dan het begin van doodsangst.’ Peter, hoe jong en succesvol ook, voelt de dood naderen en probeert hem op afstand te houden. Alstublieft God, bidt hij, breng iets op mijn pad wat ik kan bewonderen.

Rilke is bepaald niet de enige literaire verwijzing die Cunningham in zijn roman heeft gestopt. Zonder dat het koket of highbrow wordt, verbindt hij het verhaal van Peter met dat van Leopold Bloom (uit Joyce’ Ulysses), van de ik-figuur uit Prousts Recherche, van de Grote Gatsby uit de gelijknamige roman van Scott Fitzgerald, en – impliciet – van de hoofdpersoon van Brideshead Revisited, waarin niet alleen verkapte homoseksualiteit een rol speelt, maar ook de funeste bemoeizucht van een familie die een zoon van zijn verslaving probeert af te helpen. De wereld van Peter – of liever van Cunningham – is er een waarin de modellen uit de wereldliteratuur er nog steeds toe doen.

Dat laatste ergert sommigen aan Cunningham, net als zijn hang naar sentiment, die soms overslaat in sentimentaliteit. Ik hou ervan, van zijn sensitieve zinnen en van zijn subtiel beschreven emoties. Het is het tegenovergestelde van spierballenproza – voorzichtig, kwetsbaar, precieus. Weinig schrijvers komen weg met een zin als deze: ‘Is het mededogen voor een ander, is dat het enige wat er echt toe doet? Beminnen, vergeven, dulden?’ En nog minder met een literair-filosofische bespiegeling als de volgende: ‘Misschien zijn het uiteindelijk niet zozeer de deugden van anderen die we zo hartverscheurend vinden, als wel de bijna ondraaglijk schijnende herkenning wanneer we hen zien als ze heel diep zijn gegaan, in hun verdriet en vraatzucht en dwaasheid. Je hebt ook de deugden nodig – bepaalde deugden – maar we voelen niet mee met Emma Bovary of Anna Karenina of Raskolnikov omdat het goede mensen zijn. We voelen met hen mee omdat ze niet bewonderenswaardig zijn, omdat ze óns zijn, en omdat grote schrijvers hun al hebben vergeven.’

Alleen al voor zo’n laatste zinnetje lees ik Michael Cunningham.