Containerbegrippen

Het hoge woord is eruit. Welk -isme is aan de macht? In Tilburg heeft een groep vooraanstaande intellectuelen, onder wie Nobelprijswinnaar Mario Vargas Llosa en politicus Frits Bolkestein, zich gebogen over de tekenen van deze tijd.

Nog voordat zij hun licht zouden laten schijnen over het veelsoortig populisme dat nu over Europa golft, heeft Rob Riemen, oprichter en gastheer van dit Nexus Symposium in Tilburg, alvast een steen in de vijver gegooid, met een boek getiteld De eeuwige terugkeer van het fascisme.

Het lijdt geen twijfel dat Riemen, gezien zijn afkeer van plebejisch denken, hiermee ook Geert Wilders en diens PVV bedoelt. In interviews zei hij veel uit de geschiedenis te herkennen. Zijn „techniek” is gericht op de „politisering van de rancuneuze massamens”. Hij zelf is volgens Riemen „een sterke man aan het roer die bouwt op ressentiment”.

De poppen waren aan het dansen. Sinds 1945 is het woord fascisme een synoniem voor Jodenhaat, geweld en massamoord. Wilders heeft daar niets maar dan ook niets mee te maken. Riemen maakte weliswaar nadrukkelijk een onderscheid tussen de verschijningvorm van het fascisme begin twintigste eeuw en het nationaal-socialisme later. Maar in de commotie verdween die nuance wat naar de achtergrond.

Riemen is zelf schuldig door te zeggen dat het fascisme zich moeilijk in strakke termen laat definiëren. Dat is op zichzelf waar. Het fascisme was geen eenduidige maar een eclectische beweging, tegen de ‘volksvreemde elementen’, de ‘elite’ en ‘intellectuelen’ en de ‘parlementaire’ plutocratie. Haar antwoord was een ‘leiderscultus’, fascinatie voor geweld als logisch element in de geschiedenis en diep geloof in een economisch, sociaal en cultureel homogene en autarkische natie. Maar in een politiek debat zoals gevoerd wordt in Nederland, slaan academische redeneringen dood.

Zo was het altijd al. In de jaren zestig/zeventig was het bon ton om iedere geüniformeerde man op straat voor ‘fascist’ uit te maken. Als hij zijn knuppel trok, was hij al snel een ‘nazi’. En tegenwoordig lijkt het normaal om elke dienstklopper meteen tot ‘stalinist’ te promoveren. Enig inzicht in Mussolini, Hitler of Stalin is daarbij eigenlijk ongewenst.

Die gemakzuchtige en onjuiste analogieën zijn waardeloos. Toch is daarmee niet het laatste woord gezegd. Het gaat wel ergens over: namelijk over de vraag wat de kenmerken zijn van de stromingen die terrein winnen in Europa.

De term ‘populisme’ is een containerbegrip dat te weinig onderscheid maakt. Er zijn verschillen tussen het culturele welvaartschauvinisme in Nederland en de Scandinavische landen, de xenofobie in Italië en Frankrijk, de genetische kaart in Duitsland en het anti-staatssentiment in Amerika.

Maar er zijn ook overeenkomsten. Niet toevallig dient zich een soort Internationale aan van bewegingen met eenzelfde gesloten wereldbeeld, heimwee naar het verleden, verlangen naar eenduidige schuldigen, informele bestuurlijke moraal en grof taalgebruik. Het is dus logisch dat er gezocht wordt naar een -isme dat deze gemeenschappelijke lading dekt.