Broodnood en andere praktische bezwaren

Glyndebourne Festival Opera 2008 Carmen Tanja Kross as Carmen Brandon Jovanovich as Don Jose

‘U krijgt allemaal een 10, het hele jaar.” Met die geruststelling luidt dirigent Benjamin Zander, chef-dirigent van het Boston Philharmonic Orchestra, elk nieuw studiejaar in. Hij stelt zijn studenten daarbij wel een voorwaarde; „Dat u me nu beschrijft wie u zult zijn aan het eind van het jaar.” Gevolg: alle studenten gedragen zich meteen als de excellente student die zij straks hopen te worden.

Zander, die maandag in Haarlem spreker was op een congres over ‘vrouwen naar de top’, is een beetje de Emile Ratelband van de klassieke muziek. Jammer eigenlijk, dat hij niet óók meteen een prikkelende toespraak hield op het Amsterdams conservatorium. Daar stapte de kersverse directeur Andries Mulder onlangs op, omdat zijn vernieuwingsdrift koud een half jaar na zijn aantreden al had geleid tot een vertrouwensbreuk. Mulder, ook in zijn eerdere baan als directeur van het Amsterdams Fonds voor de Kunst veelbesproken om zijn vernieuwende aanpak, wilde dat het conservatorium zijn ivoren toren eens kritisch onder de loep nam. Niet iedereen is de nieuwe Janine Jansen, dus propageerde Mulder een reëlere visie op de toekomst, méér samenwerking met andere kunstinstellingen, meer openheid. Misschien moest het allemaal te snel, te drastisch. Maar Mulder had wel een punt: er gaapt nog steeds maar al te vaak een fiks gat tussen muziekvakopleiding en beroepspraktijk.

Voor Hans Nieuwenhuis was dat twintig jaar geleden ook een reden Opera Studio Nederland op te richten, als sluis tussen het veilige conservatorium en de ‘echte’ operawereld met zijn veel hardere wetten en eisen. De Opera Studio, vervolg van een eerder, vergelijkbaar initiatief dat uitging van de Nederlandse Operastichting, biedt zangers de kans op een zwaar extra jaar training: talen, acteren, zingen, dansen en vooral: in echte producties kennismaken met het echte opera maken. In die twintig jaar passeerde menig talent. Marcel Reijans zien we bij De Nederlandse Opera nu regelmatig terug. Onvergetelijk: mezzosopraan Tania Kross, die stoeiend, krabbend en trappend met haar blote voeten duidelijk maakte hoeveel passie en lijfelijkheid je kwijt kunt in de rol van Carmen (Peter Brook, La Tragedie de Carmen, 2002).

Bladerend door de cv’s in het programma van het jubileumconcert afgelopen dinsdag, viel op dat een echte internationale doorbraak zeldzaam blijft. Maar de meeste zangers zijn wel met succes werkzaam als operazanger. De vraag is: in hoeverre wil je dat een muziekvakopleiding opleidt voor de harde realiteit van de beroepspraktijk?

Dat lang niet iedere violist naar het Concertgebouworkest doorstroomt, lijkt me geen reden de lat al tijdens de studie te verlagen. Juist de beslotenheid van de studietijd biedt een unieke kans om talenten te optimaliseren, zonder de valse ruis van broodnood en andere praktische bezwaren. Daarnaast is het natuurlijk goed de blik te verbreden, les te geven, te experimenteren. En daarna? Misschien zouden er gewoon meer post-hbo-instellingen moeten zijn als de Academie van het Concertgebouworkest of de Opera Studio; veeleisend én beroepsgericht.