Als producent de ziel van vijfhonderd films

Hij maakte films met de beste regisseurs van zijn tijd. Films die eigenlijk zijn films waren, vond Dino De Laurentiis.

scene uit de film "Barbarella"

Dino de Laurentiis was een filmproducent zoals ze eigenlijk alleen nog in films bestaan: een regelaar en een ritselaar, klein van stuk maarlarger than life, die knauwend op een dunne sigaar alles voor elkaar elkaar. Hij produceerde vroege meesterwerken van Fellini, en kreeg ruzie met hem, wat zich lang voortsleepte in rechtszaken. Hij bouwde een groot filmimperium op, en raakte alles weer kwijt. Maar hij begon altijd weer overnieuw en bleef bijna tot het einde van zijn lange leven films maken. Dat hij zichzelf als de eigenlijke maker van zijn films zag, en niet de regisseur of iemand anders, sprak voor hem vanzelf. De producent vertegenwoordigde voor hem de ‘ziel’ van de film.

Dino De Laurentiis stierf woensdag in Beverly Hills. In de naar schatting meer dan 500 producties die hij in een carrière van zeventig jaar als producent op zijn naam heeft staan, valt niet meteen een lijn te ontdekken, maar juist dat maakte hem tot zo’n archetypische filmman. In film lopen kunst en kermis altijd door elkaar. Zijn producties variëren van historische spektakelstukken zoals The Bible (John Huston, 1966), opgewaardeerde B-films met de nodige sensatiezucht als Hannibal (Ridley Scott, 2001) en Conan the Barbarian (John Milius, 1982) waarin Arnold Schwarzenegger in een lendendoekje met een heel groot zwaard zwaait; de film die van de bodybuilder een wereldster maakte. Maar hij was ook verantwoordelijk voor films van onschatbare waarde maar met bar slechte commerciële vooruitzichten, zoals Blue Velvet van David Lynch (1986). Hij maakte die film met Lynch ondanks het debacle twee jaar daarvoor van hun gezamenlijke sciencefiction epos Dune.

De Laurentiis was de zoon van een pastafabrikant uit Napels, vertrok op zijn zeventiende naar Rome en schreef zich in op de filmschool Centro Sperimentale di Cinematografia. Hij hield zichzelf in leven als figurant, acteur en assistent-regisseur en produceerde al op zijn twintigste zijn eerste film: L’Amore canta (1941). Zijn doorbraak kwam in 1948 met het in die tijd pikante, sensuele Riso Amore (’Bittere rijst’), een groot internationaal succes. De producent trouwde met de mooie hoofdrolspeelster Silvana Mangano. Ze gingen uit elkaar in 1983.

De Laurentiis speelde een voorname rol in het Italiaanse neorealisme. Met Carlo Ponti begon hij een eigen productiemaatschappij. Van Federico Fellini produceerde het duo La strada (1954), waarvoor De Laurentiis de Amerikaanse ster Anthony Quinn wist te verleiden om naar Italië te komen. De producent deed hardnekkige pogingen om het einde wat zonniger te maken, wat Fellini slechts met man en macht wist te verijdelen. Drie jaar later volgde Fellini’s Notti di Cabiria; beide films waren goed voor een Oscar voor de beste niet-Engelstalige films.

Zijn geld verdiende De Laurentiis met historische spektakelstukken, vaak met Amerikaanse sterren in de hoofdrol, zoals Ulisse ( Mario Camerini, 1954) met Kirk Douglas als de held van Homerus. De Laurentiis was een pionier op het gebied van grootschalige internationale coproducties, waarbij zijn films vaak in verschillende talen voor de wereldmarkt werden nagesynchroniseerd. Op het hoogtepunt van zijn carrière bezat hij in Rome een gigantisch studiocomplex, Dinocittà, waar zijn kostuumfilms en avonturenfilms van de lopende band rolden. Nieuwe wetgeving, die een einde maakte aan het fiscaal vriendelijke regime voor internationale coproducties, dwong hem begin jaren zeventig zijn studio aan de Italiaanse overheid te verkopen.

De Laurentiis vertrok naar Amerika, en kwam daar wéér in een bloeiperiode van de cinema terecht, nu van de Amerikaanse film in de jaren zeventig. Hij produceerde onder meer de klassiekers Serpico, met Al Pacino als hippie-politieman, de paranoia-thriller Three Days of the Condor met Robert Redford, en een versie van King Kong, die tegenwoordig nog maar weinig wordt bekeken.

De Laurentiis kondigde bij zijn aankomst pontificaal aan dat hij naar de VS was gekomen om zich een rol aan te meten als een klassieke studiobaas in Hollywood in de jaren dertig en veertig. Maar het ‘studiosysteem’ was op dat moment al dood. Hollywood werkte meer en meer met een systeem van freelancers, voor en achter de camera, die per film in een ‘pakket’ bij elkaar werden gebracht. In de jaren tachtig kwam zijn bedrijf na een reeks grote flops, waaronder Dune van David Lynch, in zwaar weer. De Laurentiis zag zich gedwongen om zich terug te trekken en zijn bedrijf over te dragen aan zijn dochter Raffaella, ook filmproducent. In 2001 ontving hij een Oscar voor zijn hele oeuvre, de Irving Thalberg Award, vernoemd naar zo’n klassieke Hollywoodbaas, die Laurentiis zo graag wilde zijn.