Allemaal met het hoofd naar het oosten in het graf

Jeroen Geurst: Cemetries of the Great War by Sir Edwin Lutyens. 010 Publishers, 470 blz. € 39,50

Hoe begraaf je meer dan één miljoen soldaten? Na het einde van de Eerste Wereldoorlog in 1918 stond Groot-Brittannië voor deze vraag. Al tijdens de oorlog was het besluit genomen om de gesneuvelde Britse soldaten niet naar de vaderlanden te brengen, maar ze bij de slagvelden te begraven. Een aantal gesneuvelden had al een plaats gekregen op kerkhoven in Frankrijk en België en geïmproviseerde begraafplaatsen. Maar de velen die nog ergens op de slagvelden lagen, moesten met hun al begraven wapenbroeders worden samengebracht op speciaal aangelegde oorlogsbegraafplaatsen, besloot de Britse overheid. Zo zou de herinnering aan de Eerste Wereldoorlog levend blijven, ook nadat de sporen van de oorlog grotendeels waren uitgewist in de Belgische en Noord- Franse landschappen.

De Nederlandse architect Jeroen Geurst heeft jarenlang gewerkt aan het in kaart brengen van de Britse begraafplaatsen van WO I. Hij is niet langs alle 967 begraafplaatsen in België en Frankrijk gereisd, maar heeft zich geconcentreerd op de 140 die zijn ontworpen door Edwin Lutyens (1869-1944), zijn favoriet onder de vier Britse architecten die waren belast met de vormgeving van de begraafplaatsen. Hij heeft al zijn kennis en materiaal, waaronder honderden foto’s en tekeningen, bijeengebracht in het monumentale Cemeteries of the Great War by Sir Edwin Lutyens.

In het Engelstalige Cemeteries legt Geurst gedetailleerd uit hoe het begraven van de Britse militairen was georganiseerd. Voor deze kolossale operatie werd al in 1917 de Imperial War Graves Commission opgericht. Die bepaalde, in samenspraak met de vier architecten en andere betrokkenen, ook hoe de begraafplaatsen moesten worden vormgegeven. Besloten werd bijvoorbeeld dat alle gesneuvelden, ook de officieren, niet een kruis als grafsteen kregen, maar een rechtopstaande platte, witte steen met hun naam, regiment, rang en sterfdatum. Bij voorkeur moesten ze gericht naar het oosten worden begraven: de meesten van hen waren tenslotte gevallen toen ze de oostelijke vijand tegemoettraden.

Bij de vormgeving speelde Lutyens een hoofdrol. Hij was degene die voorstelde om alle begraafplaatsen uit te rusten met een War Stone, een soort stenen altaar. Voor Lutyens was dit een universeel, niet aan een bepaald geloof gebonden symbool voor beproeving en eeuwigheid. Herbert Baker, een van de andere drie architecten van de Britse begraafplaatsen, vond dat er ook een Cross of Sacrifice moest komen te staan.

Kruis en altaar maken van de begraafplaatsen een soort openluchtkathedalen, vond Lutyens zelf. Maar dank zij andere elementen, zoals de kapellen, opslagplaatsen, toegangspoorten, trappen, hellingbanen, heggen en borders, zijn de begraafplaatsen ook stad, gebouw en tuin in één, vindt Geurst. Voor de vele Nederlanders die Lutyens niet kennen legt Geurst uit wie zijn favoriete architect was. Lutyens is in Groot-Brittannië de beroemdste architect van de 20ste eeuw, maar daarbuiten niet zo bekend. Dat komt doordat Lutyens zichzelf buiten de internationale architectuurgeschiedenis plaatste toen hij terugkeerde naar de classicistische bouwkunst terwijl architecten als Le Corbusier op het vasteland de modernistische stijl uitvonden. Ook zijn Britse begraafplaatsen staan in het teken van het classicisme. De honderden, veelal klein afgedrukte foto’s in Cemeteries laten zie hoe inventief, virtuoos en persoonlijk Lutyens het toepaste in de gebouwen van de begraafplaatsen.

Subliem en tijdloos noemt Geurst Lutyens nog altijd smetteloos onderhouden classicistische architectuur in Frankrijk en België. Toch ligt niet zozeer in Lutyens classicisme de les die hedendaagse architecten kunnen trekken uit de begraafplaatsen, vindt hij. Lutyens’ ontwerpen in België en Frankrijk laten zien hoe een kolossale opdracht kan worden uitgevoerd zonder te vervallen in de monotonie die zo kenmerkend is voor de naoorlogse massawoningbouw. Heel precies en met veel bewondering laat Geurst zien hoe Lutyens met een beperkt aantal elementen eindeloos varieerde en zo van de Britse oorlogsbegraafplaatsen een verbluffende veelheid in eenheid maakte.