Venijn

Je kunt ook té principieel zijn. PvdA-leider Job Cohen bekende deze week dat hij tegen een ingediende motie heeft gestemd, ook al was hij het helemaal eens met de inhoud ervan. Het ging om Wilders’ motie om de rol van de koningin in het formatieproces in te perken.

Cohen deelt dat standpunt maar weigerde Wilders aan een meerderheid te helpen, omdat diens motie zou voortkomen uit „venijn en revanchisme”.

Dat belooft wat. Doet u mee met onze motie om de trainingsmissie in Afghanistan tegen te houden? Ach, ik ben het met u eens, maar u roept dit alleen maar om het CDA te dwarsbomen. Zullen we samen de kunst-btw omlaag helpen? Ik zou niets liever willen, maar u roept dit alleen maar om kiezers te trekken, dus nee, bedankt.

Het hele politieke spel is nu juist schipperen, handelen, monsterverbonden sluiten, linksom of rechtsom meerderheden vinden om je ideeën te realiseren. Zelden zul je daarbij precies dezelfde motieven hebben als andere partijen, maar het gaat toch om het boeken van resultaten?

Je moet iemands rancuneuze gevoelens juist bespelen en venijnig ombuigen in je eigen voordeel. Zeker met die gammele minderheidsconstructie is er voor de oppositie veel ruimte om de PVV – dat veelkoppige schepsel van half coalitie, half oppositie – te verleiden. Maar de oppositieleider weigert gewiekst te zijn. Hij denkt nog dat venijn en revanchisme niet in de Haagse arena thuishoren, terwijl ze er uit alle waterleidingen en airco’s opwalmen, vies en vunzig tot in de plintnagels.

Job Cohen bezondigt zich aan wat in literatuurkritiek de ‘intentional fallacy’ heet: de inhoud ondergeschikt maken aan de vermeende bedoeling van de auteur. W.F. Hermans’ Onder professoren waardeloos vinden omdat het boek zou voortkomen uit rancune. Gelukkig zijn Kamermoties geen literaire teksten, maar het aannemen of afwijzen ervan heeft grotere gevolgen dan een goede of slechte recensie.

Als Cohen zijn idealisme trouw is, zal hij bij geen enkele motie met de PVV samenwerken. Dat maakt zijn ruimte om oppositiemeerderheden te mobiliseren wel venijnig klein.

Christiaan Weijts