Te Hollands voor de wereldtop

Dick Maas stond met De Lift aan de wieg van de Nederlandse genrefilm. Hij werd groot. Ging ten onder.

Nu is hij terug met Sint.

Horrorkomedie Sint past naadloos in het oeuvre van Dick Maas. Een vlotte genrefilm vol bloed, spektakel, slapstick. Scabreuze, gitzwarte humor ten koste van onze oer-Hollandse nestwarmte. Vakwerk.

Schrijver / regisseur / producent / componist Dick Maas (59) arriveerde in 1983 met een luide knal op het toneel. De Lift, waarin een experimentele biochip dood en verderf zaait in een flatgebouw, was een horrorfilm volgens het stramien van Jaws, met een lift als zoevende guillotine. Een exporteerbare Nederlandse genrefilm, dat was nieuw.

Maas viel op door zijn norse optreden. Critici die hem een platvloerse parvenu vonden, kregen een opgestoken middelvinger. Seks, geweld en platte gein, dat verkoopt. En verder had Maas geen zin zijn werk „tegen allerlei eikels te verdedigen”, dank u.

Vleesgeworden no-nonsense: geen wonder dat de Filmacademie hem tweemaal afwees. Maas’ bestudeerde lompheid schuurde met een filmelite die inhoudelijke of esthetische pretentie eiste. Maar hij had de wind mee. In Frankrijk introduceerde begin jaren tachtig filmmaker Luc Besson ook zijn Cinema du look: stijl boven substantie, spektakel boven verhaal. Jonge filmmakers hoefden niet zonodig ‘auteur’ te zijn. Een Eurorebel nam Spielberg tot voorbeeld.

In 1983 begon de ondernemende Maas met partner Laurens Geels een eigen productiebedrijf: First Floor Features. In de jaren tachtig en negentig scoorden ze kaskrakers. Amsterdamned, een thriller over een seriemoordenaar met vliegende speedboten in de grachten van Amsterdam. En vooral Flodder, met 2,4 miljoen bezoekers een megahit die tot een driedelige ‘franchise’ en televisieserie leidde. Als producer timmerde Maas aan de weg met films als Abel, De Noorderlingen en Karakter. Maas en Geels dachten groot, gaven filmmakers miljoenenbudgetten om hun visie te realiseren.

In de jaren negentig liep de motor vast. Maas en Geels hadden een enorme studio in Almere Buiten gebouwd. Maar met de val van de Muur kwam concurrentie van spotgoedkope monstercomplexen van het oude Oostblok. En de hits droogden op. Maas en Geels bleven megaproducties aankondigen om uit arremoede in 1995 toch maar weer Flodder 3 te maken. Internationaal werd het niets. In Do Not Disturb (1999) kon William Hurt een routineuze thriller niet vlot trekken. Down, Maas’ Amerikaanse remake van De Lift, ging in 2001 direct naar video. Even later ging zijn droomfabriek failliet in een baaierd van ruzie en financieel gerommel.

Probleem is dat Maas als filmmaker erg Hollands bleef, zijn humor plaatsgebonden is. Flodder zijn meesterwerk, is een gooi-en-smijtkomedie bevolkt door vaderlandse karikaturen en gepeperd met grove lol en oneliners („Buurman, wat doet u nu?”). Onweerstaanbaar voor ons, ongein over de grens. Mede daarom lukte het Maas niet wat zijn even energieke Franse evenknie Luc Besson wel lukte: een filmfabriek oprichten die robuuste Eurokrakers van de lopende band laat rollen. Maar beide filmmakers sleurden hun nationale filmcultuur wel uit het getto van het filmhuis.

Mocht dit klinken als een tekst voor zijn grafsteen: Dick Maas is terug. Treuriger en wijzer deed hij in 2007 in Moordwijven weer wat hij zo goed kan: lach-of-ik-schiet over de Gooische levensstijl. Die lijn zet hij voort in Sint, waarin hij grimlachend ons ‘symbool van goedheid’ perverteert. Beter een karper in de vijver dan een guppy in de oceaan.

    • Coen van Zwol