Rutte flitsend van start? Nou, niet in Brussel

In Brussel is het nog even zoeken naar het daadkrachtig optreden van kabinet-Rutte.

Daar kan Nederland niet meer zo gemakkelijk in zijn eentje besluiten blokkeren.

Op één terrein vlot het niet zo met de ‘quick wins’ van het kabinet-Rutte, de ambitie om meteen in de wittebroodsweken daadkracht te tonen: de Europese Unie.

Tijdens zijn debuut op de Europese top, eind oktober in Brussel, moest premier Rutte een compromis accepteren over de stijging van de EU-begroting met 2,9 procent, terwijl hij zelf inzette op gelijk blijven van de uitgaven. Maandag zag minister Gerd Leers (Immigratie en Asiel, CDA) zich in Brussel gedwongen vóór opheffing van de visumplicht voor Albanezen en Bosniërs te stemmen, hoewel hij daar zelf niets voor voelde.

„Natuurlijk” had Leers tegen moeten stemmen, was de reactie van PVV-leider Geert Wilders na de EU-ministersvergadering. Maar zelfs als Leers dat had gedaan, was het visumvrij verkeer voor Albanezen en Bosniërs er gewoon gekomen.

De visumplicht voor kortdurend verblijf in de EU, zoals vakanties, is één van de gebieden waarop bij meerderheid van stemmen wordt besloten sinds het Verdrag van Lissabon van kracht is, eind december vorig jaar. Het oude veto op het gevoelige terrein van justitie, politie en immigratie is grotendeels afgeschaft.

Ook het kabinet-Rutte, dat wordt gedoogd door een uitgesproken anti-Europese partij, heeft te maken met het Lissabonverdrag. De spelregels daarvan betekenen dat Nederland minder gemakkelijk alléén een dossier kan blokkeren, zoals oud-minister van Buitenlandse Zaken Verhagen (CDA) bijvoorbeeld lang heeft gedaan met de toetreding van Servië.

Om in nieuwe machtsverhoudingen toch invloed uit te oefenen, zijn stille diplomatie en alliantievorming belangrijk. Besluiten in Europese ministerraden worden vaak maandenlang voorbereid door ambtenaren van de 27 lidstaten in Brussel. Als de minister in Brussel verschijnt, zijn de conclusies van de bijeenkomst vaak al uitgetikt. Dat merkte ook Leers. Duitsland, Frankrijk en Denemarken hadden ook bezwaren tegen het vrij reizen van Albanezen en Bosniërs, maar die landen waren – in de woorden van Leers – „al door de bocht gegaan” en bereid voor te stemmen.

Toch wist Nederland aanpassing van het besluit te bewerkstelligen, samen met de Duitsers, Fransen en Denen. Ondanks de regel van meerderheidsbesluitvorming hechten de lidstaten aan unanimiteit, zeker bij gevoelige onderwerpen. In een compromis kunnen bezwaren van twijfelaars worden meegenomen; Europa wil als het even kan eensgezind optreden.

Afgelopen weekend werd druk heen en weer gebeld tussen het Belgisch voorzitterschap en Nederland, Duitsland, Frankrijk en Denemarken. Den Haag eiste een verklaring van de Europese Commissie dat het visumvrij verkeer weer zal worden opgeheven bij een te sterke toestroom of ordeproblemen in één of meer lidstaten. Alleen dan zou Nederland de unanimiteit niet doorbreken.

Wat wil Leers nu eigenlijk? Lees meer op Opinie, pagina 16 en 17

    • Mark Beunderman