Mister Bloemendaal

Theodoor Doyer speelde 182 keer voor het Nederlands elftal. De aanvoerder bleef zijn club Bloemendaal altijd trouw.

Een clubman pur sang, voorbeeld voor een hele generatie tophockeyers. Gisteren overleed Theodoor Doyer, clubicoon van Bloemendaal, op 54-jarige leeftijd aan de spierziekte ALS. „Hij was Mister Bloemendaal”, zegt Floris Jan Bovelander over zijn oud-ploeggenoot. „Zonder Theo was Bloemendaal nooit geworden wat het nu is. Hij was de man die deze club heeft gemaakt”, zegt de voormalige strafcornerspecialist vanaf het hockeyveld over zijn vroegere aanvoerder.

Doyer, die tussen 1975 en 1988 182 keer uitkwam voor Nederland, werd vooral bekend als de hockeyer die zijn club altijd trouw bleef. Zelfs toen Bloemendaal in de overgangsklasse speelde en de hoofdklasseclubs over elkaar heen buitelden om hem in te lijven, weerstond hij de verleiding. Hij bleef liever bij de hechte familieclub op ’t Kopje.

Daarmee legde Doyer de basis voor de grote successen van Bloemendaal, dat met veertien landstitels zou uitgroeien tot de beste hockeyclub van Nederland. „Als Theo destijds was vertrokken hadden we nooit de topsportcultuur gehad die Bloemendaal nu heeft”, zegt Cees Jan Diepeveen, die op het middenveld jarenlang aan de zijde van Doyer streed.

Hun clubliefde betaalde zich later dik terug. Na de promotie naar de hoofdklasse won Bloemendaal, met coach Roelant Oltmans, vanaf 1986 vier landstitels op rij en een Europa Cup I (’87). De captain wist zich omringd door de internationals Bovelander, Diepeveen, Ronald Jan Heijn, Hendrik Jan Kooijman en Gert-Jan Schlatmann. „Dat team bulkte van de kwaliteiten. Allemaal opgegroeid op Bloemendaal”, zegt Oltmans, voor wie Doyer een adjudant op het veld was. „Theo dacht heel simpel, heel rechtlijnig. Zo speelde hij ook. Zonder franje – de kortste weg naar het doel. Als het een keer wat minder ging en we bespraken dat met het team, zei Theo: ‘niet zeuren, zondag winnen we gewoon, dan wordt het vanzelf beter.’ Hij stond nooit ter discussie. Ging altijd voorop in de strijd.”

Zelf was Doyer bescheiden over zijn capaciteiten. „Ik was een simpele hockeyer die wist wat hij kon en daar ook naar speelde”, zei hij vorig jaar in een vraaggesprek met hockey.nl. „Ik had maar één truc: de haringtruc [bal langs ene kant van tegenstander, speler langs andere kant]. Toen kwam je daar heel ver mee.” Maar hij deed zichzelf daarmee tekort, vindt Diepeveen. „Theo was een weergaloze hockeyer. En een hele fijne vent.”

Met zijn nuchterheid won Doyer het vertrouwen van de piepjonge ‘Flop’ Bovelander, die als jochie één van zijn eerste hockeysticks van zijn latere mentor had gekregen. „Hij kon vrij hard zijn in het veld. Maar hij bleef altijd down to earth”, zegt Bovelander. „Hij was echt een voorbeeld voor mij.”

Doyer speelde jarenlang voor het Nederlands elftal, waarvoor hij 44 doelpunten maakte. In 1975 debuteerde hij, tegen België, als vervanger van Ties Kruize. Twee keer deed Doyer mee aan de Olympische Spelen, in 1976 (Montreal) en 1984 (Los Angeles), maar succesvol waren die ploegen niet. Tweemaal, in 1983 en 1987, werd hij met Nederland Europees kampioen. Eén van zijn grootste successen was de Champions Trophy in 1981, in Karachi. Maar zijn hoogtepunt? Dat was de eerste landstitel met Bloemendaal, zei hij anderhalf jaar geleden. „Omdat het mijn eigen club was.”