Literaire vetes

Literatuur is een eenzaam bedrijf waarin andere schrijvers nauwelijks te verdragen zijn, schreef schrijver Tommy Wieringa onlangs in zijn column in De Pers. „Daarom zijn echte vriendschappen tussen schrijvers zeldzaam. Ze lijken over het algemeen nog het meest op niet-aanvalsverdragen. Vriendschappen zijn mogelijk, maar zelden tussen gelijke grootheden.”

Wieringa herinnerde aan de polemiek tussen Arnon Grunberg en A.F.Th. van der Heijden. Zelf moest ik denken aan de ruzies tussen de voormalige (moet ik nu zeggen) Grote Drie, Hermans, Reve en Mulisch.

Acht jaar geleden verscheen in Amerika het boek Literary Feuds, ‘a century of celebrated quarrels – from Mark Twain to Tom Wolfe’, geschreven door Anthony Arthur. Hij kon alleen al met vetes in het Angelsaksische taalgebied van vooral de vorige eeuw een interessant boek vullen.

We lezen over Mark Twain die, nog in de 19de eeuw, een vroegere schrijversvriend, Bret Harte, tot diens dood met allerlei aantijgingen probeerde te vernietigen. Twain suggereerde dat Harte homoseksueel was met zijn ‘elegante zelfvoldaanheden’, weerspiegeld in zijn loopje van ‘het geaffecteerde soort’. „Hij is de losbandigste dief die de aarde bevuild heeft.’’

Ook Hemingway maakte een oude schrijversvriend, Sherwood Anderson, belachelijk in zijn satirische roman The Torrents of Spring. „Er is altijd het verlangen om te doden”, zei Anderson er zelf over, „hij kan de gedachte niet verdragen dat ook andere mensen Kunstenaar zijn…hij wil het hele veld bezetten.”

Vriendschappen tussen schrijvers ontaarden vaker in felle vetes. Arthur beschrijft hoe ook de gezworen vrienden Vladimir Nabokov en Edmund Wilson tegenover elkaar kwamen te staan toen Wilson het werk van zijn vriend begon te kritiseren.

Kritiek op elkaars werk is een terugkerende bron van conflicten. Truman Capote en Gore Vidal probeerden elkaar op die manier te elimineren; Tom Wolfe werd razend op John Updike en John Irving, die zich geringschattend over zijn werk hadden uitgelaten.

De meest verwoestende ruzie was die tussen Mary McCarthy en Lillian Hellman. Het conflict begon toen McCarthy zich in een tv-interview liet ontvallen dat ze Hellman „een geweldig overschatte, slechte en oneerlijke schrijfster” vond. „Ik heb wel eens in een interview gezegd dat elk woord dat zij schrijft een leugen is, inclusief ‘en’ en ‘de’.”

Hellman, een gefortuneerd schrijfster, nam het niet langer en begon een proces wegens smaad, ook al was ze inmiddels een oude, zwaar zieke vrouw. McCarthy bekende een vriend dat ze Hellman gespaard zou hebben als ze geweten had hoe ziek zij was, maar voor excuses voelde ze niets. „Dat zou liegen zijn.”

McCarthy was niet vermogend, maar vrienden waren bereid haar te steunen. Ze verdiepte zich in leven en werk van Hellman en ontdekte nog meer leugens dan ze vermoed had. De memoires van Hellman (een deel werd succesvol verfilmd onder de titel Julia) bleken tal van onjuistheden en leugens te bevatten. Het op til zijnde proces keerde zich als een boemerang tegen Hellman.

Tot een rechtszitting zou het niet meer komen, omdat Hellman voor die tijd overleed. McCarthy reageerde teleurgesteld, ze zei dat „er geen voldoening was als een vijand stierf – je moest hen verslaan.”