Leg wrakingszaken bij een centraal college

In deze krant van 6 november werd aandacht besteed aan de grote verdeeldheid die binnen de Amsterdamse rechtbank is ontstaan na de beslissing om de rechters in de zaak-Wilders te wraken.

Redacteur Marcel Haenen citeert een Amsterdamse rechter die zei dat het „hartstikke gevoelig ligt als de ene magistraat over de andere zegt dat hij partijdig is. We zitten allemaal op dezelfde gang.”

Twee opmerkingen hierover. De wet bepaalt dat een verzoek om wraking van rechters in een rechtbank wordt behandeld door een andere kamer van die rechtbank. Wraking is alleen mogelijk op grond van „feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden”. Dus niet per se – zoals het artikel suggereert – omdat de rechters partijdig zouden zijn. Het gaat in de praktijk om gedragingen of uitlatingen die de schijn van vooringenomenheid kunnen wekken. Zoals ook in de zaak-Wilders.

Er is veel voor te zeggen om wrakingsverzoeken door rechters van een ander college te laten behandelen. Dat bepaalde de wet al eerder als de wraking een kantonrechter betrof, toen deze nog geen deel uitmaakte van de rechtbank: zo’n verzoek werd behandeld door de rechtbank, dus een hogere rechter. Om aan het begrijpelijke bezwaar van de Amsterdamse rechters tegemoet te komen, zou een wraking, gericht tegen rechters in een rechtbank, behandeld kunnen worden door het gerechtshof.

Een andere mogelijkheid zou zijn wrakingszaken door één centraal college te laten behandelen. Dat heeft als voordelen meer distantie, dus minder gevoeligheden tussen collega’s, plus een zekere mate van specialisatie.

Er zou een wetswijziging voor nodig zijn. Maar die is ook nodig voor de in Amsterdam bedachte aanpassing: behandeling door een andere, aangrenzende rechtbank.

Mr. A.H. Trijbits

Oosterbeek