Kind, slaap je roes uit en naar huis

Een kwart van de ziekenhuizen verleent geen nazorg aan kinderen die met te veel drank op binnenkwamen.

Terwijl die jongeren vaak psychische problemen hebben.

Ten zuiden van Den Haag ligt het Westland, een gebied dat grotendeels bestaat uit glas, smalle waterkanalen en cirkelvormige warmtecentrales. Op de fietspaden zie je hier opvallend veel jongeren, die zich grootschalig op plastic scooters en verchroomde Kreidlers verplaatsen naar de ongeveer 200 ‘hokken’ die het Westland rijk is. Na het werk in de tuinbouw duiken de jongeren ieder weekend onder in kleine keten waar ze na het oogsten in de ochtend kunnen proosten op de avond. Foto Peter de Krom Voor publicatie graag eerst contact opnemen; 0641249432

Af en toe een slokje, zegt ze, op een feestje. Een meisje van veertien jaar oud, dat niet met haar naam in de krant wil, zit tegenover kinderarts Nico van der Lely in de alcoholpolikliniek in Delft. Hij vraagt haar of ze nog heeft gedronken, sinds ze elkaar de laatste keer zagen. Een half jaar eerder werd ze opgenomen op de eerste hulp. In coma, met een promillage van 2,0 (vijftien glazen alcohol).

Als ze niet in de regio Rotterdam had gewoond, dan had ze nu misschien niet in het ziekenhuis gezeten, maar bij de GGZ. Of in het ergste geval gewoon thuis. Terwijl het aantal kinderen dat met een alcoholvergiftiging wordt opgenomen verder toeneemt, hebben Nederlandse ziekenhuizen nog geen eenduidig beleid om deze kinderen te begeleiden na de eerste essentiële medische hulp.

In de eerste helft van 2010 zijn 356 jongeren onder de achttien jaar in een Nederlands ziekenhuis opgenomen met een alcoholvergiftiging. Dat is een stijging van ongeveer 40 procent ten opzichte van vorig jaar, blijkt uit de jongste inventarisatie van het Nederlands Signaleringscentrum voor Kindergeneeskunde, die gisteren zijn gepresenteerd.

Schokkend? Ja, in een half jaar tijd hebben 356 kinderen zich bijna dood gedronken. Onverwacht? Niet helemaal: in 2009 waren het er vijfhonderd, en dat was weer 48 procent meer dan in 2008.

Ondanks de stijging stuurt nog steeds ongeveer een kwart van de Nederlandse ziekenhuizen met een kinderafdeling jongeren, nadat ze zijn opgelapt en hun roes hebben uitgeslapen, zonder nazorg naar huis. Dat blijkt uit het onderzoek Alcoholintoxicatie bij tieners en jonge kinderen, ‘Stand van zaken’, van het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam, in opdracht van het Partnership Vroegsignalering Alcohol (PVA).

Het gebrek aan nazorg is schadelijk, zeggen Van der Lely en kinderpsycholoog Mireille de Visser. En dat onderbouwen ze met cijfers: vier ziekenhuizen hebben de afgelopen anderhalf jaar 294 jongeren behandeld, naar het model van de alcoholpoli zoals die in 2007 door Van der Lely en De Visser is ontwikkeld in het Reinier de Graaf Gasthuis in Delft. Ruim 40 procent van die bijna driehonderd jongeren heeft psychische of psychosociale problemen, blijkt uit hun evaluatie.

Na een of meerdere gesprekken kan De Visser de jongeren doorverwijzen naar een hulpinstelling, zoals Bureau Jeugdzorg of een GGZ. Maar bij een kwart van hen zag De Visser aanleiding om een neuropsychologisch onderzoek te doen. Door de vergiftiging lopen jongeren soms flinke schade op aan de hersenen; zij hebben dus intensieve hulp nodig. „Als die kinderen na de eerste hulp direct naar huis worden gestuurd, krijgen ze niet de hulp die ze nodig hebben en kan dat tot veel meer problemen leiden”, zegt De Visser.

Ruim 70 procent van de ziekenhuizen doet wel aan een vorm van nazorg. Sommige ziekenhuizen lossen het intern op, via de afdeling medische psychologie, andere hebben een goede samenwerking met de verslavingszorg. Maar van een uniforme aanpak is geen sprake, legt Gerard Schippers uit. Hij is hoogleraar verslavingsgedrag en zorgevaluatie aan het AMC en voorzitter van het PVA. „Ziekenhuizen zitten met die kinderen in hun maag. Artsen hebben geen instrumentarium om het probleem aan te pakken.”

Het PVA, waar de alcoholpoli’s ook deel van uitmaken, heeft een ‘protocol voorkom alcoholschade jongeren’ opgezet: eerste hulp, goede gesprekken met de ouders en contact met de jongeren, inschatten of neuropsychologisch onderzoek nodig is en eventueel de kinderen doorverwijzen naar een zorginstantie. De volgende klus is nu: zorgen dat hun werkwijze landelijk wordt ingevoerd.

Om heel Nederland te dekken, zijn zeker twintig alcoholpoli’s nodig, heeft kinderarts Van der Lely uitgerekend. Van der Lely en De Visser pleiten expliciet voor een nazorgtraject binnen het ziekenhuis, naar het model van de alcoholpoli. Een bezoek aan de GGZ of Bureau Jeugdzorg is vaak een te grote stap om te nemen, zegt De Visser. „Het is behoorlijk stigmatiserend. Ouders hebben dan snel de neiging om zo’n alcoholvergiftiging af te doen als een eenmalige fout, en dan krijg je die kinderen nooit meer te zien.” Een terugkomafspraak in het ziekenhuis is volgens haar veel laagdrempeliger.

Bovendien is de aanleiding om tot hersenonderzoek over te gaan, lang niet altijd eenduidig. „Vaak is het een combinatie van factoren. Sommige daarvan worden opgemerkt door de kinderarts, andere door de psycholoog”, aldus De Visser. Juist in het ziekenhuis worden al die observaties onder één dak geplaatst en zijn de lijnen tussen de verschillende afdelingen kort. Zo weet De Visser dat het veertienjarige meisje bij Van der Lely op de kamer, nog steeds meer drinkt dan die paar slokjes die ze durft toe te geven. Dat weet ze uit gesprekken met haar zus, die ook met een alcoholvergiftiging werd opgenomen. Bij de meisjes spelen allerlei problemen. De ouders weten niet wat ze uitspoken, hun leerniveau gaat achteruit. De Visser verwees het meisje door naar de GGZ, maar na een half jaar kwam ze erachter dat het meisje nog steeds excessief drinkt. „Dan houd ik haar dus liever zelf in de gaten.”

De alcoholpoli werkt ook goed voor de groep jongeren zonder achterliggende problemen, blijkt uit de evaluatie van de alcoholpoli’s. Van de jongeren in die categorie onder de zestien drinkt 95 procent geen druppel meer. Van de jongeren boven de zestien doet in ieder geval 80 procent niet meer aan ‘bingedrinking’ (meer dan vijf glazen per keer, minstens één keer per maand). En dat terwijl jongeren van zestien overal vrij alcohol kunnen kopen. De aanpak werkt dus, zeggen Van der Lely en De Visser; zij pleiten ervoor om de alcoholpoli’s landelijk in te voeren.

Gerard Schippers van het PVA is ook voorstander van het opzetten van alcoholpoli’s, in ziekenhuizen die daar de middelen voor hebben. „Maar niet elk ziekenhuis heeft daar de capaciteit voor”, zegt hij. „Ziekenhuizen die goede regelingen hebben met de verslavingszorg, moet je niet dwingen om het intern op te lossen. Hóé de nazorg wordt geregeld maakt mij niet zoveel uit. Als die maar geregeld wordt, dat is essentieel.”

Overigens denkt Schippers wel dat die twintig alcoholpoli’s er komen. Het ‘stand van zaken’-onderzoek toont aan dat er genoeg vraag naar is.