Het onbehagen op Curaçao

Op Curaçao hebben blanken niets te zoeken, zegt een stem in de documentaire van Sarah Vos en Sander Snoep. „Het is een negereiland. De zon, de lucht, de cactussen en de zee, alles hoort bij het neger-zijn. De kust is een negerkust, rotsig, puntig, scherp en verraderlijk.”

Wat blijkt? Behalve winst zoeken de blanken er ook niets. Niet naar het verhaal van de zwarten, in ieder geval, waar ze zelf zo nauw mee verbonden zijn.

De film is losjes in elkaar gezet: historische beelden, literaire citaten, willekeurige zwarten die zwijgend kijken, blanken die onbenullige conversaties voeren. We horen fragmenten uit de logboeken van de slavenhandelaren van de West-Indische Compagnie, droge opsommingen van hoeveel van de lading levend aankwam en hoeveel dood. Hoe de verkoop ging. Wat een zwakke of gebrekkige slaaf nog net opbracht. Helemaal harteloos waren die handelaren niet: ze verontschuldigen zich voor de wreedheid van het brandmerken van hun waar, maar hoe wil je anders een administratie bijhouden?

Als we direct hierop blanken zien liggen op een strand, genietend van een koele drank en het uitzicht op een blauwe zee, geeft dat een gevoel van onbehagen. Dat gevoel weten de makers goed vast te houden. Mensen eten en drinken, begroeten en kletsen, maar er is een voortdurend en bijna onheilspellend onbehagen dat nergens wordt benoemd of uitgelegd.

Kinderen gaan naar school, met op de achtergrond de schoorstenen van de olieraffinaderij die vroeger door de Koninklijke Shell werd beheerd. Optimistische jaarverslagen van de jaren zestig waaruit blijkt dat de arbeidsproductiviteit van de lokale bevolking hoog was, maar dat hun loon werd verlaagd, opdat de blanke employés een bonus konden krijgen.

Plotseling de opstand van 30 mei 1969: oorlogsbeelden, mariniers die zich in Nederland voorbereiden en even later zwaar bewapend de orde op het eiland met harde hand herstellen. De rebellie begon als een staking door arbeiders tegen de loonpolitiek van Shell, maar groeide uit tot een algehele oproer tegen de apartheid die tot dan toe op het eiland gold.

In het heden vertelt een blank meisje onder het genot van een broodje mozzarella waar het mooi snorkelen is: „Maar in het weekend moet je daar niet zijn, dan ligt de hele Antilliaanse bevolking daar, met van die grote koelboxen vol kippenpoten.”

De blanke omstanders giechelen.

Wat, lijken de documentairemakers zich af te vragen, weten deze blanken van de geschiedenis van dit eiland? Maar ze ondervragen niemand, waardoor de film geruisloos over kan gaan naar het heden en de manier waarop een vestiging van de Albert Heijn wordt gerund. De blanke manager vertelt vergenoegd over de stijgende omzet, maar beklaagt zich dat hij geen zwarte groepsleiders kan vinden. Een deskundige legt uit dat de zwarten hebben geleerd hun meerderen niet in de ogen te kijken, nederigheid te betrachten, slaaf te zijn.

Tja, lijken de blanken die hele dagen in luxe clubs rondhangen te denken: het moet eens afgelopen zijn met dat gedoe van de slavernij. Iemand zegt: „Wij hebben ook de oorlog gehad en wij moesten ook leren dat het leven daarna doorging.”

Beelden van een strand. Alleen blanken. Een zwarte bewaker met een aangelijnde hond. Camera kijkt even over zijn schouder, achter een muurtje. Daar zwemmen alleen zwarten. De continuïteit van de West-Indische Compagnie naar de Shell en nu de Albert Heijn is geen conclusie. Alleen een indringende suggestie. Het verleden is voorbij, het onbehagen is gebleven.

De Documentaire Curaçao gaat op het IDFA in première op 19 november.