'Hans Faverey werkte net als Joan Miró'

De nalatenschap van dichter Hans Faverey bevat een complete, afgewezen, debuutbundel en 200 ongepubliceerde gedichten, ontdekte Marita Mathijsen.

Zes weken zat neerlandica Marita Mathijsen in een appartement in het Italiaanse Triëst om de nalatenschap van dichter Hans Faverey (1933-1990) uit te zoeken. Het leverde tweehonderd onbekende gedichten op van de man die lang onbegrepen bleef, maar die inmiddels wordt beschouwd als een van de belangrijkste Nederlandse dichters van de twintigste eeuw.

Ook vond Mathijsen het manuscript van een complete bundel, die in 1964 door uitgeverij Querido werd afgewezen, vier jaar voor Faverey’s debuut bij De Bezige Bij. De helft van de 33 gedichten belandde later in reguliere bundels, 16 van de allervroegste Favereys verschijnen woensdag voor het eerst in de verzamelbundel Gedichten 1962-1990.

Waarom is deze bundel niet eerder ontdekt, bijvoorbeeld toen tien jaar geleden de bundel ‘Springvossen’, met nagelaten gedichten verscheen?

„Springvossen was een persoonlijke keuze uit de nalatenschap door Faverey’s vrouw. Het waren de gedichten die zij mooi vond. Er was waanzinnig veel materiaal, dat heb ik nu pas helemaal bestudeerd. Ik trof een mapje aan met de gedichten die hij aan Querido stuurde, compleet met de afwijzingsbrief van die uitgeverij.”

Waarom wilden ze het niet hebben?

„In de brief worden geen argumenten genoemd. Ik vond ook een brief van tijdschrift Maatstaf uit dezelfde periode. ‘Het kan aan ons liggen, maar dit sprak ons nauwelijks aan’, schreven zij.”

Lag het inderdaad aan hen, of zijn deze gedichten gewoon minder goed dan het wel gepubliceerde werk?

„Reinold Kuipers van Querido heeft later aan Faverey gezegd dat hij spijt had. De gedichten uit die bundel passen precies bij het werk uit zijn eerste bundels, het doet daar zeker niet voor onder.”

Waarom wist men er zich dan geen raad mee?

„Faverey was, zeker in het begin, een zeer conceptuele dichter. Heel geestig en humoristisch, maar niet eenvoudig te begrijpen. Hij haalde dingen de poëzie binnen die daar volgens de heersende opvattingen niet thuishoorden.”

Zoals?

„Er is een kort gedicht waarin hij de computertaal ALGOL 60 gebruikte. De meeste mensen wisten in de jaren zestig niet eens dat die bestond, laat staan dat je er gebruik van kon maken met een dichtregel als ‘<empty> :: =’ Dat deed Faverey gewoon. ”

Zit in dat soort vernieuwingen ook zijn grote verdienste?

„Het was bijzonder, maar het is niet het allerbelangrijkste. Dat is de manier waarop hij naar taal keek. Hij prikte steeds door de oppervlakkige betekenis van de woorden heen, probeerde ze te isoleren en dan te kijken wat er overbleef. In Triëst zag ik een tentoonstelling van de schilder Joan Miró en de gelijkenis trof me. Allebei gaan op een vergelijkbare speelse manier met hun materiaal om.”

Faverey werd pas in de jaren voor zijn dood begrepen. Hij is lang miskend gebleven.

„De latere bundels van Faverey zijn veel anekdotischer, dan zie je sneller wat zijn bedoeling is. Die is in de loop der jaren niet veranderd. ”

De bundel Gedichten 1962-1990 (De Bezige Bij) wordt woensdag gepresenteerd op een aan Faverey gewijde literaire avond in Amsterdam. Zie www.slaa.nl