Geen ander substituut

Van iemand die ruim vier jaar in Amerika heeft gewoond, wiens jongste dochter daar geboren is en wiens oudste zoon daar al vele jaren werkt en Amerikaanse kinderen en kleinkinderen heeft – van zo iemand zou je verwachten dat hij met bijzondere belangstelling de tussentijdse verkiezingen heeft gevolgd die president Obama zo’n forse nederlaag hebben bezorgd.

Die belangstelling zou nog groter moeten zijn als degene over wie we het hebben, gedurende de hele periode van de Koude Oorlog eerder tot de atlantici dan tot de Europeanen heeft behoord. En toch betrap ik, degene die aan deze beschrijving beantwoordt, mijzelf erop dat dit bij mij niet het geval is. Ik volg de Amerikaanse politiek slechts op een afstand.

Wie van analyseren zijn werk maakt, moet ook bereid zijn tot zelfanalyse, en daarom vraag ik me af: hoe komt dit? Welnu, mijn atlanticisme vloeide niet voort uit ideologische motieven en evenmin uit dankbaarheid jegens onze bevrijders van 1944/45, maar uit de overweging dat, zolang de Sovjet-Unie als een bedreiging werd gezien, alleen in het bondgenootschap met Amerika de veiligheid te vinden was die Europa niet kon bieden.

Die situatie duurde tot ongeveer 1989. Met de val van de Muur verdween de Russische dreiging (althans in de ogen van de West-Europeanen, de Oost-Europeanen denken daar anders over) en verdween zelfs de Sovjet-Unie. De omstandigheden die in 1949 geleid hadden tot het ontstaan van de NAVO, waren radicaal veranderd. Ergo had de Atlantische prioriteit haar reden van ontstaan verloren.

De politiek-strategische machtsverschuivingen die zich sindsdien in de wereld hebben voltrokken, hebben ook gevolgen gehad voor de houding van Amerika jegens Europa. Dat staat niet langer in het centrum van Washingtons belangstelling. President Obama voelt zich niet nauwer met Europa verbonden dan president Bush jr. In die zin maakt de uitslag van de verkiezingen van 2 november voor Europa weinig uit.

Voor Nederland betekenen deze veranderingen dat het niet langer kan hopen in zijn Atlantische banden een tegenwicht te vinden tegen ongewenste Europese ontwikkelingen (een hoop die trouwens meestal meer illusoir dan op feiten gebaseerd was). Met andere woorden: Nederland is teruggeworpen op Europa, waarvan het, in elk geval geografisch, onlosmakelijk deel uitmaakt.

Maar biedt Europa dezelfde zekerheid die Amerika ons een halve eeuw leek te bieden? Het strompelt van crisis naar crisis. Nauwelijks is, na tien jaar van onderhandelingen, het verdrag van Lissabon gesloten, dat een basis voor verdere vooruitgang leek te zijn, of Duitsland, Europa’s sterkste mogendheid, eist herziening van dit verdrag. Het wil een definitief reddingsmechanisme voor eurolanden in nood. Daarvoor is verdragswijziging nodig. Voor deze Duitse wens zijn de andere eurolanden gezwicht, hoezeer zij ook opzagen tegen het vooruitzicht van een nieuwe ronde van uitputtende onderhandelingen.

Natuurlijk werd er, zij het niet openlijk, gemopperd over een nieuw Duits dictaat, maar Angela Merkels vrees dat, zonder verdragswijziging, de Duitse kiezers op den duur niet langer bereid zouden zijn met miljarden de Europese zondaars uit hun zelfgegraven putten te helpen – vandaag Griekenland, morgen Portugal, Ierland, Spanje en Italië? – is maar al te reëel. Die onwil is geen Duitse specialiteit.

Bovendien vreest Merkel evenzeer een uitspraak van het Constitutioneel Hof dat verdere afdracht van soevereiniteit zonder verdragswijziging in strijd met de Duitse grondwet zou zijn. Allemaal legitieme overwegingen. Of moeten wij Duitsland verwijten dat het een democratie en een rechtsstaat is? Moet Europa voorrang hebben boven die waarden, die de overwinnaars van 1945 Duitsland opgelegd hebben? Fiat Europa, et pereat iustitia? Of heeft de Duitse leerling zijn les te goed geleerd?

Nu hebben de lidstaten president Van Rompuy de opdracht gegeven uit te zoeken of de instelling van een permanent mechanisme om destabiliserende ontwikkelingen op te vangen mogelijk is zonder het in die zin gewijzigde verdrag – het gaat slechts om een paar regels – opnieuw te onderwerpen aan de in elk land verschillende ratificatieprocedures. Op die manier zou het risico voorkomen worden dat de voorgestelde wijziging in een of meer landen verworpen zou worden.

De angst dat dit zou gebeuren, is ook legitiem. Per slot van rekening hebben in 2005 Frankrijk en Nederland met hun ‘neen’ tegen de Europese ‘grondwet’ ervoor gezorgd dat die er niet kwam. Jaren van stagnatie volgden. Maar de angst is, hoezeer ook legitiem, eigenlijk ingegeven door wantrouwen jegens de eigen burger. Juridische spitsvondigheid moet maken dat zijn stem niet gehoord hoeft te worden.

Dat wantrouwen is niet helemaal ongegrond, gezien de groeiende stemming tegen ‘Europa’. Maar dat is een apart probleem. Hier gaat het erom dat een Europa dat zijn eigen burgers – al dan niet terecht – wantrouwt en dat de rechtsstaat als een hinderlijk obstakel op de weg naar eenheid beschouwt, een gebrekkig substituut is voor een Atlantische alliantie die na de Koude Oorlog nog geen nieuwe reden van bestaan heeft gevonden.

Maar een ander substituut is er niet. Tenzij de voorkeur gegeven wordt aan een neutraliteit à la Zwitserland, dat noch lid is van de NAVO noch van de Europese Unie. Zo’n keus is wél meer in overeenstemming met een lange Nederlandse traditie van neutraliteit dan met de politiek van engagement, die de laatste zeventig jaar met meer of minder geestdrift gevoerd is.