Er is redding voor softe Sint

Bij de Sint viel altijd al wat te griezelen.

Maar Sint is nu zo braaf geworden, dat een horrorvariant eigenlijk niet meer dan logisch is.

De huidige Sint, in al zijn brave goedheiligheid, is op z’n retour. Dick Maas’ make-over naar akelige kindermoordenaar zou weleens precies kunnen zijn wat hij nodig heeft.

Bij de Sint viel altijd wel wat te griezelen. De oerlegende: drie schooljongens slapen in een herberg. ’s Nachts worden ze gruwelijk vermoord door de herbergier, die hun lijken in een pekelvat in de kelder stopt. Na jaren krijgt Sint Nicolaas het pekelvlees aangeboden. Hij vertrouwt het niet en wekt de jongens tot leven.

Die Sint was goed, maar ook eng. De Sint van nu is zo braaf geworden dat een horrorversie eigenlijk niet meer dan logisch is. Een beetje horror hoorde er vroeger bij. Op het platteland draaiden feesten vroeger vaak om geesten en witte wieven. ’s Nachts werd er aan de deur gerammeld. Het aan Sint verwante Sunneklaas op Ameland is nog steeds een wilde avond waarbij mannen in het donker in angstaanjagende vermommingen geesten verdrijven en vrouwen en jongens naar binnen ‘knuppelen’.

Angstig wachten op de roe gebeurde niet. Jongelui hingen vroeger de beest uit bij Sinterklaas, zegt onderzoeker van volksfeesten John Helsloot van het Meertensinstituut. Hij weet dat er veel van dat soort jaarfeesten in Nederland waren zoals klaasjagen, waarop jongens met zwarte gezichten de boel op stelten zetten. Op Sint Maarten eisten kinderen aan de deur geld. „En als je dat niet gaf, zwaaide er wat. Dat waren ook manieren om om het dorpsmoraal te handhaven, om te zeggen hoe het normaal hoort.” Of om stoom af te blazen.

Sinterklaas begon als ‘omkeerfeest’, zegt hoogleraar ontwikkelingspsychologie Willem Koops. Net als carnaval, waarbij de zotheid een paar dagen regeert. Door de rollen even om te draaien, is de theorie, bevestig je ze juist. Koops weet uit veertiende-eeuwse archieven uit Dordrecht dat kinderen zichzelf verkleedden als Sinterklaas en kattekwaad uithaalden. „Ze trokken de broek van de burgemeester naar beneden. Ze kregen zelfs geld van de stad voor het feest.”

Sinterklaas heeft de plek van die wilde feesten ingenomen. „Nu rent niemand meer door het dorp. Nu is er een brave optocht”, zegt Helsloot. Met een kuierend paard en Pieten die pepernoten uitdelen.

Zelfs de pedagogische rol die Jan Schenkman hem halverwege de 19de eeuw toebedeelde, heeft hij niet meer. Onderwijzer Schenkman maakte van Sint in zijn boek Sint Nicolaas en zijn knecht een strenge straffer en beloner. Dat was nog een béétje griezelen, zegt Anite Haverkamp, curator van het museum Catharijneconvent in Utrecht. Ze organiseerde vorig jaar de overzichtstentoonstelling Sint-Nicolaas op Bezoek. „In de zak mee naar Spanje is niet mis. Griezelen is met deze softe vaderfiguur wel voorbij.”

Het straffen werd ook nog eens uitbesteed aan Zwarte Piet en zelfs die doet dat sinds de anti-autoritaire jaren zestig niet meer. Sint is nu enkel nog aardig. Tandeloos. Saai.

En dat terwijl een beetje griezelen hartstikke goed is voor de „zedelijke vorming”, vindt emeritus hoogleraar Historische Nederlandse Letterkunde Herman Pleij ook. „In griezelverhalen kunnen we heel nadrukkelijk vaststellen wat het goede is en wat het kwade dat uitgeroeid moet worden.”

De ophef over de poster van de griezelsint verbaast hem. Er zal wel een behoefte zijn aan een discussie over horror, vermoedt hij. „Sinterklaas wordt hoe langer hoe meer een passe-partoutinstituut voor actuele bekommernissen. Eerst de discussie over de gekleurde pieten, toen de AOW-leeftijd, nu horror.”

En nu is Halloween gekomen als de wereld op z’n kop. John Helsloot van het Meertens Instituut: „Mensen dossen zich gruwelijk uit, met bloed en messen en darmen. Ze etaleren één dag met groot plezier een slechte smaak. Dat is stout en ontzettend leuk.” Halloween wordt steeds populairder, Sinterklaas verdwijnt. Misschien dat de horrorsint ’m kan redden.